Lekkere wrede of foute types

Daniel Craigs personages zijn zelden eenduidig.

Hij speelt in The Golden Compass, nu in premiere.

Samen met Clive Owen vormt Daniel Craig een nieuwe type Britse acteurs die aan stoerheid niet genoeg heeft. Met hun norse blik zoeken ze ook toenadering. Ze zijn licht ontvlambaar maar ook gevoelig, gereserveerd maar ook explosief. Juist dit soort tegenstrijdige signalen maakt beide mannen zo intrigerend.

Craig, nu te zien in de avonturenfilm The Golden Compass, heeft van de twee de meest turbulente jaren achter de rug. In twee jaar tijd sprong de klassiekgeschoolde acteur van kalme arthousefilms als Enduring Love naar de adrenalinestoot van James Bond, wat weinig acteurs hem nadoen. Misschien alleen Ewan McGregor, die van cultfilms als Trainspotting doorschoot naar Star Wars, hoewel het kostuum van Obi-Wan Kenobi hem niet echt lekker zat.

Daniel Craig (1968, Chester, Engeland) lijkt wel in zijn element als de nieuwe Bond, die hij grimmiger en cynischer speelde dan zijn zwoele voorgangers („Shaken or stirred? I don’t give a damn”). Op dit moment loopt hij zich warm voor de opnames van de nieuwste Bondfilm, die vooralsnog Bond 22 heet. Echt knap is Craig niet, wat hem op voorhand op veel kritiek kwam te staan van fanatieke Bondfans. Ze richtten de site www.craignotbond.com op omdat hij er te raar uit zou zien voor een Bond. Ook de New York Times omschreef zijn gezicht als ‘bleek en plat met grote vlezige oren’. Hij wreekte zich door zijn karakter niet alleen te voorzien van weerhaken, maar ook door er een lustobject van te maken. De torsoscène waarin hij in een strakke blauwe zwembroek de zee uit komt lopen, net als Ursula Andress in 1962, is nu al beroemd. De scène stond niet in het script, maar vanwege de spontane reacties van de vrouwelijke crew, besloot de regisseur de scène aan de film toe te voegen. Het hielp: Casino Royale zou uiteindelijk de best bezochte Bondfilm ooit worden.

Drie jaar daarvoor speelde Craig een heel ander soort lustobject in The Mother, een kleine arthousefilm met Craig als klusjesman annex minnaar van een dertig jaar oudere weduwe, die smelt in zijn timmermanshanden. Met rommelig haar en baard staat hij in strak T-shirt een plank te zagen, zodat de rol op Craigs lijf is geschreven. Spraakmakend in Engeland waren de expliciete seksscènes tussen het onwaarschijnlijke koppel. Craigs verleden als toneelacteur in de realistische traditie van Everyman Theatre, galmt hier nog na.

In John Mayburys Love Is The Devil, een biopic van de kunstenaar Francis Bacon, speelt hij George Dyer, een inbreker die bij Bacon intrekt en zijn minnaar wordt, maar gaandeweg steeds vaker vernederd wordt. In een sadomasochistische scène drukt hij een sigarettenpeuk uit op Bacons huid. Ook in Infamous is Craig gevaarlijk en kwetsbaar als Perry Smith, de moordenaar die Truman Capote inspireerde tot In Cold Blood. Hij is bedreigend maar ook sensueel, wat de Smith-Capote-relatie in een ander daglicht stelt.

Voordat Craig zich van zijn duister-sexy kant liet zien, werd hij vooral gecast als wrede officier of foute Duitser. Craig neemt graag risico en kiest geen voor de hand liggende, sympathieke rollen, maar verwrongen personages die zelden eenduidig zijn. Zijn carrière voor Bond staat vol met onbekend, maar gelauwerd werk als Some Voices, Sylvia, Layer Cake en The Jacket, en Hollywoodfilms als Lara Croft: Tomb Raider, Road to Perdition en Munich. Het geweld is nooit ver weg. In Elizabeth (1998) speelde hij een monnik die een spion met een steen neerslaat. Vroom en gewelddadig: twee tegenpolen verenigd in één acteur.