Gewist

Of ze nog leefde toen men de brancard als een raket de Emergency Room in lanceerde, niemand weet het. Toen de brancard tot stilstand kwam was ze in elk geval dood. In het café en op straat praten ze over niets anders.

Er wordt in mijn dorp niet elke dag een jonge vrouw neergeschoten. Trouwens, er heeft zich iemand gemeld die zeker meent te weten dat ze met een mes overhoop werd gestoken. Ook heerst er nogal verwarring over de vraag of ze al of niet zwanger was. Ik kijk door het keukenraam en denk aan de dood.

Buiten slaat een stel jongens met lange stokken de olijven van de takken. Ook al niet opwekkend. De takken gaan de winter in, de olijven worden tot smurrie gedrukt. De olie zal deciliter na deciliter verdwijnen in mensenkelen.

Het zijn ook nog eens dezelfde jongens die een paar dagen geleden uit de ambulance stapten, toen ik juist een bezoek had gebracht aan de vierentachtigjarige Agripino. Het meisje uit hun ambulance is dood, Agripino zal weldra volgen.

Wie te dicht met zijn neus op de etalage van een banketbakkerswinkel staat krijgt vanzelf een onstuimige trek in zoetigheid.

Door mijn hoofd golft nu de dood. Van kindsbeen af heb ik aan de dood gedacht. Dat denken schiet maar niet op. Het leven wordt geschakeerder en krijgt de beschikking over steeds meer hoeken, kelders en bergzolders, maar het Niets blijft het Niets. Denken aan de dood heeft geen zin.

Het enige wat je opsteekt van denken aan de dood is het idee dat je leeft.

Het Niets zegt me niets, maar je blijft er wel naar onderweg.

De dood is gezellig noch ongezellig, maar de gril die ouderdom heet is verschrikkelijk.

Gisteren was ik twintig.

Ik denk aan bepaalde veertigplussers die, om bij de twintigplussers in de gunst te blijven, luidruchtig tegen de zestigplussers van leer trekken, in de hoop dat te midden van dit lawaai hun eigen erbarmelijke leeftijd niet zal opvallen.

Ze verkeren nog in de gelukzalige illusie dat er, om van veertig straks zestig te worden, twintig volle jaren moeten verstrijken. Een zestigjarige weet beter. Het zijn er, terugziend, veel minder. Niet meer dan een jaartje of vijf, schat ik.

Ik voel me door dit inzicht niet wijzer en rijper, ik heb er alleen meer begrip door ontwikkeld voor sadistische genoegens.

’t Is pijnlijk.

Er is niets melancholieks aan ouder worden.

Ik denk aan de nacht die langzaam op me afstapt, die eerst met sluiernevels om mijn voeten komt spelen, plagend en de schemering imiterend, en die vervolgens wil omhoogkruipen langs mijn benen, langs mijn navel en tot voorbij mijn nek om bezit te nemen van mijn hoofd, ondoordringbaarder en zwarter wordend, tot mijn lijf van top tot teen in nacht is gehuld, als een geraamte in zwarte windsels.

Ik zal opgeslokt worden, vervagen, geen schaduw meer werpen. Ik zal opgaan in de achtergrond.

Buiten zijn de jongens verdwenen. Morgen keren ze terug om de olijven die op de vangnetten zijn gevallen in jute zakken te stoppen. Het zijn witte zakken van de Engelse posterijen, die ik het afgelopen jaar heb opgespaard en die straks aan een tweede leven zullen beginnen. Gelukkige zakken.

Gerrit Komrij