Taxi-zaak, deel 2 (en 3)

taxi2.jpgEerder schreef ik al over de zaak die ik tegen een taxichauffeur aanspande. (Lees maar.) In het kort gaat het hier om (en dit is natuurlijk mijn versie van het verhaal): toen ik ’s avonds laat een keer een taxi nam bracht de chauffeur ons beiden in gevaar door

• stil te staan op een drukke oprit voor de snelweg;
• te slingeren op de snelweg;
• de hele rit door met zijn mobiele telefoon te spelen;
• met 60 mijl per uur (96 km/u) door Manhattan te rijden.

Het is erg eenvoudig voor een klant een zaak aan te spannen, in elke taxi hangen hiervoor instructies en een telefoonnummer. Uit het jaarverslag van het stedelijke taxibedrijf TLC haal ik dat er vorig jaar ruim 85.000 van dit soort zaken waren. Hoe ze afliepen is mij onbekend.

Eerder werd ik verzocht te verschijnen (als je niet komt, vervalt je klacht), maar toen besloot de rechter de zitting uit te stellen - de chauffeur blijkt geen Engels te spreken (wat op zichzelf al een vergrijp is, ook al stoorde ik me er niet aan). De chauffeur moest maar een vertaler regelen.

Vanochtend werd ik opnieuw verzocht te verschijnen. Om half negen, 3202 Queens Blvd, Long Island City, staat in de brief. (Dat is in het stadsdeel Queens, vanuit Manhattan gezien aan de andere kant van de East River. Een kwartiertje met de metro vanuit Midtown.)

Dus ik daarheen, kijk op de borden, zoek het zaaltje waarin mijn zaak zou dienen. Maar: ik sta niet op de lijst. Ik naar de informatiebalie. Dat zoeken we even uit, inderdaad. Paar minuten later: je hebt een verkeerd adres opgekregen. Op dit moment staat de chauffeur op je te wachten op ons kantoor op Rector Street.

Het leek mij zonde de zaak opnieuw uit te stellen (de chauffeur moet ook elke keer komen opdagen) dus ik vroeg of het nut had direct naar dat andere kantoor te gaan (vlakbij Wall Street en ground zero). Dat had nut. Zal ik maar een taxi nemen?, stelde ik voor. Het was daar immers een komen en gaan van chauffeurs, er was er vast een die op een ritje zat te wachten. Nou nee, zeiden de dames. Dat is niet snel genoeg. Neem de metro maar.

Drie kwartier later kom ik op dat andere kantoor aan. Met een andere rechter, maar zonder vertaler voor de chauffeur. Wel een zekere mevrouw Fischer, ze verdedigde de chauffeur en had teveel rechtbankseries gezien. Vol in de aanval. Dat haar chauffeur hier zo lang op klager moest wachten! De chauffeur had wel wat beters te doen!

“Op mijn brief stond het…” begon ik, maar de rechter onderbrak me. Stilzitten en mooi zijn. Niemand zat op mijn versie van het verhaal te wachten. Ik was nou eenmaal te laat, maar goed. Proceed.

Dat u geklaagd heeft over het gebrekkige taalbeheersing van mijn cliënt is ook al godsgeklaagd!, kreeg ik te horen. Dat was ik niet, wilde ik zeggen, couldn’t care less zelfs, maar mocht ik niet zeggen.

Nadat vastgesteld werd dat iedereen was wie hij zei te zijn en we de geloftes aflegden, mocht ik mijn beklag doen. Mervrouw Fischer rolde nogmaals met haar ogen, zuchtte zich ongans en keerde haar rug naar me toe. (Een hele prestatie in dat kleine en bedompte kamertje.)

Toen was het woord aan de chauffeur. Hij ontkende alles, was “not guilty” en vermoedde dat mijn klacht was ingegeven door het feit dat ik mijn koffer zelf in de kofferbak had moeten tillen. En bovendien: hij gebruikte zijn mobiele telefoon nóóit. Kijk maar, hier is mijn telefoonrekening. De rechter keek maar constateerde dat de rekening onvolledig was, slechts twee van de vier pagina’s bevatte. Hoe kon hij nu zien of de chauffeur wel of niet had ge-smst?

De rechter vatte samen dat hij het ook niet kon weten. “Soms zegt de ene partij dat het regent, de ander dat het zonnig is.” Hij stelde mevrouw Fischer een compromis voor. Als de chauffeur (die in de 22 jaar dat hij chauffeur was pas één eerdere zaak tegen zich aangespannen had gezien, wat blijkbaar als een aanbeveling gold) nou schuld toegaf wegens “illegal operation of a motor vehicle” dan was wat de rechter betreft de zaak daarmee afgedaan.

Ik kon niet achterhalen - en mocht nog steeds niets vragen, toch een vreemde gewaarwording voor een journalist - waar dit vergrijp precies op slaat, maar ik vermoed dat het om het gebruik van de telefoon gaat. En dat de rechter dus de snelheidsovertredingen, het stoppen op een locatie waar dat niet mag, het gevaarlijke rijgedrag op de snelweg en de beperkte talenkennis van de chauffeur gemakshalve vergat.

De chauffeur (of in ieder geval zijn mevrouw Fischer) deed dat graag. Goed idee. De chauffeur bekende schuld, kreeg een boete van 150 dollar (met de koers van vandaag 102 euro) en voorkwam daarmee strafpunten op zijn rijbewijs.

Is beroep mogelijk, vroeg ik. Jazeker. “Maar 150 dollar is een hoop geld. Meer dan de chauffeur soms op een dag verdient”, zei de rechter. “Ook meer dan ik soms op een dag verdien”, was mijn antwoord. Maar ik ben er niet uit: zal ik het hierbij laten?

(Dit nog even dan: mijn collega-correspondent Tom-Jan Meeus houdt sinds vorige week vanuit Washington - en de rest van het land - een verkiezingsblog bij.)