Spionnen versus Bush

Soms is waar iets gebeurt, even betekenisvol als wát er gebeurt. De conclusie van de National Intelligence Estimate dat Iran in 2003 onder druk van de internationale gemeenschap zou zijn opgehouden met zijn kernwapenprogramma, was op zichzelf al opzienbarend. In 2005 hadden de inlichtingendiensten precies het omgekeerde beweerd. Maar dat nationaal veiligheidsadviseur Stephen Hadley dit gezamenlijke rapport van álle Amerikaanse inlichtingendiensten maandag presenteerde in de James S. Brady Press Briefing Room van het Witte Huis, gaf de inhoud een symbolische lading. Op loopafstand van de president, die vorige maand zelfs de woorden „Derde Wereldoorlog” in de mond nam, zei Hadley grof samengevat dat die apocalyps weliswaar nooit geheel kan worden uitgesloten, maar dat de alarmbellen tot nu toe wel voorbarig hadden gerinkeld.

Hadleys slag om de arm gaf Bush de ruimte om vast te stellen dat Iran een „gevaar” blijft. Strikt genomen heeft hij geen ongelijk met die interpretatie. Het rapport onthult ook nu niet wat er in Iran wél aan de hand is. Het blijft giswerk.

Maar politiek gesproken slaat Bush met deze redenering de plank behoorlijk mis. In zijn eigen Witte Huis zegt zijn eigen veiligheidsadviseur dat zijn eigen vicepresident Cheney onvoldoende feitelijke grond onder de voeten heeft om te blijven pleiten voor een preventieve actie tegen Iran. Kan een staatshoofd in eigen huis eenzamer zijn dan Bush nu?

Niet minder pijnlijk is dat Iran een lange neus naar hem kan trekken, China weer zijn eigen koers gaat varen, Rusland zich gesterkt voelt om alle opties open te houden en het ‘oude’ Europa de diplomatieke kaart opnieuw zal gaan zoeken.

Ook dit politieke oordeel gaat nog voorbij aan een veel ingrijpender probleem dat met deze National Intelligence Estimate aan het licht is gekomen. De CIA en andere Amerikaanse inlichtingendiensten hebben zich de afgelopen jaren sterk laten politiseren. Ze hebben te vaak precies die analyses geleverd waaraan de regering om politieke redenen behoefte had. De ‘powerpoint presentatie’ over de vermeende ‘massavernietigingswapens’ in 2003 van toenmalige minister Powell van Buitenlandse Zaken is het meest spectaculaire voorbeeld daarvan, omdat dit fiasco leidde tot een oorlog die bijna vijf jaar na dato nog steeds niet tot een goed einde is gebracht. In Groot-Brittannië is over deze politieke volgzaamheid en ambachtelijke laksheid hard geoordeeld door Lord Butler, die in 2004 het werk van de Britse inlichtingendiensten moest onderzoeken. Door de „urgente vraag naar inlichtingen” op het uitvoerende politieke niveau, leed MI6 aan tunnelvisie en schreef de dienst rapporten die door de haast onvoldoende werden geverifieerd.

Met hun rapport lijken de Amerikaanse inlichtingendiensten nu schoon schip te willen maken. Een jaar voordat een nieuwe president aantreedt, willen ze gezamenlijk hun professionele integriteit weer heroveren. Maar daarmee is het schip nog allerminst schoon. Want wie zegt dat de diensten met hun National Intelligence Estimate van 2007 zelf geen politieke doelen nastreven. Dat laat onverlet dat de diensten een streep hebben gezet. Dat blijft van het grootste belang. Spionnen die hun bazen om politieke redenen naar de mond praten, zijn uiteindelijk namelijk juist een gevaar voor de veiligheid van de natie die ze moeten dienen.