Kunst mag nooit slappe knieën hebben

Pogingen het verbod op afbeeldingen van Mohammed aan andersdenkenden op te leggen zijn in een democratie ontoelaatbaar, meent Herman Philipse.

De weigering van Wim van Krimpen, directeur van het Haagse Gemeentemuseum, om twee foto’s van de Iraans-Nederlandse kunstenares Sooreh Hera tentoon te stellen, heeft aanleiding gegeven tot afkeurende reacties (NRC Handelsblad, 3 en 4 december).

Op de foto’s zijn homoseksuelen te zien die maskers dragen van de profeet Mohammed en diens schoonzoon Ali. Zoals Van Krimpen verklaarde, lokken dergelijke foto’s ‘te veel reacties’ uit. Hij meent dat het voortdurende uitdagen en beledigen van moslims noch de kunst noch het debat in Nederland een dienst bewijst.

Volgens het redactionele hoofdartikel (3 december) was deze weigering „merkwaardig”. De redeneringen van Van Krimpen zouden „niet sluiten” en het zou op zichzelf „al tegenstrijdig” zijn dat „een museumdirecteur in het vrije Nederland zichzelf beperkingen gaat opleggen”.

De redactie onderschat hiermee de uitdaging die de aanwezigheid van bepaalde groepen moslimimmigranten stelt aan open samenlevingen. Sinds 11 september 2001 is gebleken dat in het Westen moslims en islamisten zijn die er niet voor terugschrikken om een intolerante ideologie door bedreigingen en gewelddaden kracht bij te zetten.

Natuurlijk is slechts een minieme fractie der moslims bereid geweld te plegen met een terroristisch oogmerk. In het algemeen is dat ook voldoende. Enkele spectaculaire acties blijken toereikend om heel wat mensen schrik aan te jagen en te brengen tot zelfcensuur. Dergelijke terreurdaden kunnen bovendien op sympathie rekenen bij een iets grotere groep, die vooral bestaat uit tweede of derde generatie immigrantenkinderen.

Zo bleek bij een peiling door het Engelse televisiekanaal Channel 4 onder jonge moslims in de zomer van 2006 dat 58 procent van hen zou willen dat kritiek op de islam strafbaar wordt gesteld, dat 12 procent zelfmoordaanvallen op Britse burgers goedkeurt, en dat 28 procent zelfmoordaanvallen op het Britse leger billijkt. Bovendien is inmiddels genoegzaam bekend dat islamistische bewegingen zoals Hizb ut-Tahrir of Tablighi Jam’at, gesteund door stromen oliedollars, proberen onder westerse moslimjongeren een ideologie te verspreiden die zich ten doel stelt geheel Europa onder de heerschappij van islam en shari’a te brengen. De tactiek van deze bewegingen is geraffineerd. Enkele groepjes produceren dreigingen of begaan aanslagen, terwijl andere groepen de nadruk leggen op het vreedzame karakter van de islam en zich profileren als betrouwbare partners in de samenwerking met westerse overheden.

Tegen deze achtergrond is de belangenafweging van een museumdirecteur zoals Van Krimpen, of van een operamanager zoals Kirsten Harms van de Deutsche Oper in Berlijn, enigermate begrijpelijk. Waarom zou men risico’s van moslimvandalisme of erger lopen, indien de primaire verantwoordelijkheid bestaat in het bewaren en tentoonstellen van kunstschatten, of het kunstzinnig verantwoord opvoeren van opera’s zoals Mozarts Idomeneo? Angst was bepaald niet zijn motief, zo zei hij gisteren in deze krant. Maar het redelijke argument niet meegesleept te willen worden in het zoveelste onverkwikkelijke islamdebat leidt tot hetzelfde resultaat. De afweging van Van Krimpen was dus allerminst ‘merkwaardig’ en het redactionele commentaar in deze krant was enigszins naïef.

Naïviteit kan ook niet aan Van Krimpen worden ontzegd. Hij meent de foto’s van Sooreh Hera over enkele jaren wel tentoon te kunnen stellen, omdat hij verwacht „dat de integratie dan voltooid zal zijn”. Maar identiteitsproblemen van jongeren die opgroeien tussen twee culturen laten zich niet in enkele jaren oplossen. Onderzoek wijst uit dat de aantrekkingskracht van totalitaire islamistische ideologieën op jongeren niet afneemt. Zo meent de Franse islamoloog Olivier Roy dat de salafi-islam de snelst groeiende stroming is onder immigrantenkinderen van de tweede en derde generatie. De Deense journalisten Karen Jespersen en Ralf Pittelkow schrijven in hun boek over de karikaturencrisis Islamisten en naïvisten: een aanklacht dat „iedereen die zich inzet vóór integratie zich ervan bewust moet zijn dat het een lange weg zal worden, bezaaid met onenigheden en conflicten”. De rel rond Sooreh Hera is niet de eerste in zijn soort en zal niet de laatste blijken.

In deze situatie is het noodzakelijk steeds opnieuw te hameren op het belang van vrijheid van meningsuiting en expressie. Zonder brede steun voor deze waarden kan een democratie niet bestaan en was de westerse beschaving nooit tot grote bloei gekomen. De wetenschapshistoricus Floris Cohen betoogt in zijn boek De herschepping van de wereld dat de wetenschappelijke revolutie in de vroege zeventiende eeuw bijna gesmoord werd door een klimaat van godsdienstige intolerantie en godsdienstoorlogen. Europa is dus in de zeventiende eeuw door het oog van de naald gekropen. Met andere woorden: het resultaat van de belangenafweging door managers zoals Van Krimpen, hoe begrijpelijk ook vanuit hun eigen verantwoordelijkheden, is buitengewoon ongewenst vanuit een breder maatschappelijk perspectief.

Dit betekent dat degenen die verantwoordelijk zijn voor het bewaken van dit bredere belang krachtig moeten opkomen voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van wetenschap, en de vrije kunst. NRC Handelsblad heeft dit door het redactionele commentaar gedaan. Maar het is niet voldoende. Functionarissen zoals museumdirecteuren moeten zich ook gesteund weten door een krachtig kabinetsbeleid, dat de wankelmoedigen onder hen sterkt in het enig juiste besluit bij dit soort affaires: zich niets aan te trekken van intolerante religieuze groeperingen, die zich ‘beledigd’ voelen op allerlei idiosyncratische gronden.

Of moslims zich gebonden achten door het islamitische verbod op afbeeldingen van Mohammed is hun eigen zaak. Maar pogingen dit verbod aan andersdenkenden op te leggen zijn in een democratische staatsorde volstrekt ontoelaatbaar. Laat onze normen- en waardenkampioen Jan Peter Balkenende zich dus glashelder uitspreken over het belang van de vrijheid van meningsuiting en vrije kunst. En laat minister Plasterk een robuust beleid ontwikkelen ter bescherming van deze waarden, zodat colleges van bestuur of museumdirecteuren in het vervolg geen slappe knieën meer vertonen. Zolang Balkenende en Plasterk dit niet doen, laten ze de meer vrijheidslievende moslims onder ons in de kou staan.

Prof.dr.mr. Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.