Klimmen om te vallen

De Duitsers hebben het bergfilmgenre uitgevonden, met Leni Riefenstahl als belangrijkste icoon. Ook de Everestklim in ‘Blindsight’ is een Duits initiatief.

De berg is gemaakt om vanaf te vallen. Zonder de zwaartekracht zou een filmmaker niet om bergen geven. Zo simpel is het. Alle bergfilms die zijn en worden gemaakt – en dat zijn er talloze – ontlenen hun spanning, hun drama of hun humor aan de mogelijkheid dat iemand eraf lazert. En meestal gebeurt dat ook.

In een genrefilm zijn maker en publiek in gelijke mate op de hoogte van de uitgangspunten die bij het genre horen. Beide weten dat er iemand van de berg kan vallen, zál vallen, dus kunnen ze zich concentreren op het hóe.

Hoewel de oudste film met een bergval voorzover na te gaan uit de Verenigde Staten komt – And the Villain Still Pursued Her van J. Stuart Blackstone uit 1906, waarin de held een meisje moet redden door van een klif te springen en vervolgens wakker wordt in bed – is het pas een genre geworden in Duitsland. Logisch, de bakermat van de Körperkultur – de verheerlijking van het menselijk lichaam. Terwijl in het land van de cowboys de helden hun mannelijkheid moesten bewijzen in het revolverduel op de prairie, klommen in het land van de Wandervögel de ruigste Duitsers tegen de steilste hellingen. Arnold Fanck is de naam die onverbrekelijk aan het genre verbonden is, de bergbeklimmer die in 1920 de Berg- und Sportfilm bv oprichtte en sindsdien films maakte als Der Berg des Schicksals (1924) en Die weisse Hölle vom Piz Palü (1932), samen met G.W. Pabst. Het was in Fancks Der heilige Berg uit 1926 dat bergmadonna Leni Riefenstahl debuteerde als hoofdrolspeelster. Toen zij in 1932 haar roemruchte carrière als regisseur begon, koos ze voor een bergfilm, Das blaue Licht.

Dat de Duitsers de bergfilm tot bloei brachten, wil niet zeggen dat het een nationaal genre werd. In alle landen, voorzover van reliëf voorzien, zijn films op de helling gezet. De ene bergfilmer kiest voor ijzige hellingen (Frank Marshall, vorig jaar met Eight Below), de ander voor een oceaantrog (James Cameron, The Abyss, 1989), de volgende zoekt extra spanning door te balanceren boven een vulkaan (Peter Jackson, The Return of the King, 2003), weer een ander neemt een trap van bergachtige afmetingen (James Parrott,The Music Box met Laurel & Hardy, 1932).

Voor Alfred Hitchcock was vallen net zo’n oer-angst en dus net zo’n vruchtbaar thema als onschuldig verdacht worden. Er wordt (al dan niet van bergen) gevallen in Saboteur, To Catch a Thief en Vertigo. In Suspicion speelt de climax zich af op de kliffen van Engeland en in North by Northwest eindigen helden en schurken op de stenen presidentshoofden van Mount Rushmore.

In de documentaire, zoals Blindsight die in première gaat, wordt de spanning nog verzwaard door het besef dat wat in de film verteld wordt ook écht gebeurd is. In Blindsight bedwingt een groepje blinde Tibetaanse kinderen een Everestpiek. Maar er is ook een prominente rol weggelegd voor de oer-bergfilmers: de hele blinde klimexpeditie is een Duits idee.