Geen bom

Zijn we op het nippertje aan de Derde Wereldoorlog ontsnapt? Nauwelijks een week geleden achtte president Bush zo’n catastrofe denkbaar als Iran verder zou gaan met het bouwen van zijn kernwapen. De zestien Amerikaanse inlichtingendiensten hadden hem ervan overtuigd, door de jaren heen in toenemende mate, dat deze schurkenstaat ondanks alle plechtige verzekeringen van het tegendeel gewoon aan de bom verder werkte. In 2010 of hooguit twee jaar later zou het ding klaar zijn en daarmee waren dan de verhoudingen in het Midden-Oosten definitief veranderd. Bush wist toen waarschijnlijk al dat de geheime diensten het bij het verkeerde eind hadden. Nu heeft hij dat zelf in het openbaar bevestigd. Maar Iran blijft gevaarlijk, voegde hij eraan toe. De publicatie van deze vergissing is op zichzelf als de explosie van een bom, schrijft The New York Times. Zo is het. Er is een fundament van de Amerikaanse buitenlandse politiek aangetast.

Hoe betrouwbaar zijn zestien inlichtingendiensten? Die vraag had vijf jaar geleden al gesteld moeten worden, toen de Amerikaanse en Britse spionnen het er over eens waren dat Saddam Hoessein massavernietigingswapens had. Een vergissing, zoals daarna in vier jaar oorlog is bewezen. (De Nederlandse diensten hadden hun gegronde twijfel maar hun oordeel werd ook door het kabinet terzijde geschoven.) Op grondslag van verkeerde inlichtingen is in 2002 het publiek in het Westen rijp gemaakt voor de oorlog. Een paar jaar later begon de geschiedenis zich te herhalen. In 2005 trokken leden van een Amerikaanse geheime dienst door de wereld met een lezing met lichtbeelden. Die waren afkomstig uit een gestolen Iraanse geheime laptop waarop de vorderingen van het kernwapenprogramma stonden geregistreerd. Het zag er betrouwbaar uit, maar het was niet waar. Het doet denken aan de voorstelling die Colin Powell, toen minister, voor de Verenigde Naties heeft gegeven. Of in 2005 de heren ook Den Haag hebben aangedaan weten we niet. Het is misschien iets voor een Kamervraag.

Dat de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad geen vriend van het Westen is, staat als een paal boven water. Om het te worden zou hij eerst zijn voornemen tot vernietiging van Israël moeten intrekken. Maar dreigen is iets anders dan oorlog voeren, en om daartoe in staat te zijn moet je eerst de geloofwaardige wapens hebben. Anders blijft het bij propaganda. De Amerikaanse spionage heeft jaren, door te verzekeren dat Teheran aan een bom werkt, in feite haar best gedaan de Iraanse geloofwaardigheid te vergroten en daarop hebben de haviken in Washington hun buitenlandse politiek gebouwd. Dat een Amerikaanse preventieve aanval op Iraanse kerninstallaties in verregaande staat van voorbereiding is, wordt door alle deskundigen niet meer betwijfeld. Zo’n aanval is ook in overeenstemming met de in Washington vigerende politieke filosofie. Na de publicatie van de vergissing bestaat voor zo’n preventie geen grond meer. Dit betekent dat het beleid van Bush jegens Irak op losse schroeven staat.

Of niet? We kunnen deze publicatie ook beschouwen als de opening van een doolhof. Als de geheime diensten zich eendrachtig één keer hebben vergist, is het niet uitgesloten dat ze nu nóg een vergissing hebben gemaakt. Dan zal in de komende weken deze bekentenis in twijfel worden getrokken, steeds weer, tot de conclusie is bereikt dat men zich vergist heeft bij het erkennen van de vergissing. Of nog een mogelijkheid: blijvend opgezadeld met de problemen in Irak en Afghanistan en voorlopig nog in mindere mate met die van Pakistan, is men in Washington tot het inzicht gekomen dat een aanval op Iran, met alle consequenties van dien in het Midden-Oosten en de rest van de wereld, boven de macht van Amerika gaat. In dat geval zou de conclusie zijn dat de publicatie van de vergissing tot een geheim beleid hoort, want daardoor wordt Washington ontlast van verplichtingen die het niet aan kan.

Bij al deze onzekerheden staat één ding vast. Washington bevindt zich in een staat van verwarring. Die is het gevolg van een vijf tot zes jaar lang stelselmatig verkeerde beoordeling van de mondiale verhoudingen, met als constante de overschatting van de Amerikaanse invloed op de verhoudingen in de wereldpolitiek. Daarin heeft, vrees ik, ook Nederland zich in ruime mate laten meeslepen. En wat ernstiger is: zoals nu blijkt bij de opening van de campagnes voor de presidentsverkiezingen, is de Amerikaanse binnenlandse politiek erdoor aangetast. Noch bij de Republikeinen noch bij de Democraten heeft zich tot dusver een kandidaat met een samenhangend en geloofwaardig programma voor de buitenlandse politiek aangediend. De openbaring dat zestien geheime diensten zich zo ernstig hebben kunnen vergissen tast niet alleen een grondslag van het beleid aan. Dat zo’n vergissing op zichzelf weer op allerlei manieren kan worden geïnterpreteerd, is symptomatisch voor de algemene toestand in Washington.

Nederland blijft een bondgenoot van Amerika; het heeft geen andere keus. Maar dit betekent niet dat het een slachtoffer zou moeten worden van de verwarring in Washington. Eén keer zijn we dat al geweest, met de oorlog in Irak. Wacht met het besluit tot verlenging van de missie in Afghanistan tot de toestand in Washington is opgeklaard, of desnoods tot er een nieuwe president is.