Een bewuste provocatie

Het Haags Gemeentemuseum toont de foto’s van Sooreh Hera niet.

Directeur Wim van Krimpen legt uit waarom hij bij zijn beslissing blijft.

Het Haags Gemeentemuseum besloot vorige week een aantal foto’s uit de serie Adam en Ewald, zevendedagsgeliefden van de Iraanse kunstenares Sooreh Hera niet op te hangen. Op een aantal foto’s is een homostel te zien dat maskers draagt met de afbeeldingen van de profeet Mohammed en en zijn schoonzoon Ali. Museumdirecteur Wim van Krimpen legt zijn beslissing uit.

Sooreh Hera zei gisteren in een interview met deze krant dat ze kan begrijpen dat u bang bent.

„Bang? Dat is absolute onzin. We hebben geen bedreigingen gehad. We hebben juist meer telefoontjes gehad van mensen die zeiden: als u dat werkt niet ophangt, zijn wij geen vriend meer van het museum.”

Waarom hangt u de gewraakte foto’s dan toch niet op?

„Ik heb de fotoserie van Hera destijds gekozen vanwege het onderwerp. Het gaat over de islam en homofilie. Dat is duidelijk en dat wilde ik tonen. Maar ik wist niet dat op de maskers beeltenissen stonden van Mohammed en Ali. Dat kreeg ik pas afgelopen vrijdag te horen toen bleek dat Hera met dit onderwerp de publiciteit had gezocht en tegen het dagblad De Pers had gezegd dat ze dankbaar was dat ik wel ‘het lef’ had om haar werk tentoon te stellen. We hebben toen als museum besloten dat wij niet in deze situatie willen worden meegesleept. Maar ik besef wel: wat je in dit geval ook beslist, het is nooit goed.”

Wat was er gebeurd als Hera niet de publiciteit had gezocht?

„Dan hadden die foto’s met de gemaskerde mannen er nu gewoon gehangen. Het is goed werk. Maar doordat zij de publiciteit zocht, wordt het nu ineens een politieke discussie. Daar laat ik mij niet voor misbruiken.”

Maar veel kunstenaars kaarten via hun werk juist maatschappelijke onderwerpen aan. Je kan dit debat toch niet gaan mijden?

„De manier waarop op dit moment in Nederland de discussie over de islam wordt gevoerd, vind ik gruwelijk. Ik vind dat je met elkaar in gesprek moet gaan. Dat doe je niet door elkaar te beledigen. Hera heeft bewust dat element van Mohammed in haar werk aangebracht. Aan die provocatie doen wij dus niet mee. Wat is daar mis mee? Als museum maken we zo vaak keuzes over wat wel en niet kan.”

Kunt u een ander voorbeeld noemen?

„Een jaar geleden hadden wij een expositie met onder meer werk van de Duitse kunstenaar Martin Eder. Op het laatste moment kwam hij nog met een filmpje aanzetten. Het bleek een opname te zijn van een van zijn favoriete topmodellen die zichzelf minutenlang zat te bevredigen. Toen ik daar naar stond te kijken kwam ik er op een gegeven moment achter dat ik nog de enige in de zaal was. Toen heb ik tegen Martin gezegd: sorry, dit kan niet, dit is een openbare ruimte.”

U zegt: het Gemeentemuseum is publiek domein. Maar als u een galerie had gehad, had u de foto’s van Hera wel opgehangen. Wat is het verschil?

„Een galerie beschouw ik als een privédomein. Dan kan ik zelf beslissen wat ik wel en niet wil ophangen. Een gemeentelijk museum is publiek domein. Daar moet je rekening houden met de grenzen van het betamelijke.”

Toch heeft u gezegd dat u het werk van Hera overweegt te kopen. Is dat niet in tegenspraak met uw weigering om haar foto’s te exposeren?

„Nee. Ik heb dat gezegd om aan te geven dat ik vind dat ze een interessante kunstenaar is en om er de nadruk op te leggen dat wij als museum geen politieke discussie voeren maar kijken naar de artistieke waarde.”

Directeur Ranti Tjan van Museum-goudA heeft aangeboden de foto’s van Hera wel op te hangen. Wat vindt u daarvan?

„Het Gemeentemuseum heeft op dit moment de hoogste bezoekersaantallen sinds 1935. Dankzij tentoonstellingen over Helene Schjerfbeck en over Haagse hofmode. Dat komt dus niet omdat we op zoek zijn naar sensatie of willen provoceren. Maar ik gun mijn andere collega’s heus ook bezoekers.”