De moderne duivel en zijn moderne Beëlzebub

„Het is tijd om op te staan tegen de verWildering van de samenleving”, schreef Doekle Terpstra in zijn brief. Zoals Paulus twintig eeuwen geleden toornde tegen de heidenen in Rome.

Ik vond het al knap van mezelf dat ik het proza van de voorgaande alinea’s heelhuids had doorstaan. „Toch”, had ik meteen in de tweede moeten lezen, „word ik tot op het bot uitgedaagd en wordt mijn gemoed door Geert Wilders wel erg op de proef gesteld”.

Lichaam (bot) en Ziel (gemoed) – het begon inderdaad als een vroegchristelijke zendbrief.

En vlak vóór de oproep tegen de verWildering nog deze volzin:

„Met respect voor de woorden van de Koran, zoals ikzelf graag met respect bejegend wil worden op de woorden die voor mij heilig zijn en die mij via de Bijbel worden aangereikt.”

Wat zou de vrome dichter hier in Godsherennaam bedoeld kunnen hebben? Zou hij werkelijk respectvol bejegend willen worden op alle heilige woorden die hem (bofkont die hij is) via de Bijbel worden aangereikt?

Z’n sluitstuk mocht er natuurlijk ook wezen. „Vakbonden, moslims, kerken, humanisten en andere groeperingen en instellingen: kom bijeen, sla de handen ineen, en keer het tij!!”

Misschien iets meer Communistich Manifest dan Paulus, maar dat is goed verklaarbaar. Als lid van de jongelingsvereniging zal Doekle in de jaren zeventig van de vorige eeuw vast en zeker vaak naar een lezing van een moderne dominee zijn geweest over Christendom en Marxisme.

Maar nog vóór ik aan die coda was toegekomen, had ik de voorzitter van de HBO-raad als schrijver, actievoerder en apostel eigenlijk al gediskwalificeerd, vanwege de hoofdletter W in het woordje verwildering. Jeux de mots – dat ook nog.

Later liet hij, bijgekomen van de ‘overdonderende’ bijval, in het dagblad Trouw weten dat hij „even moet nadenken hoe het nu verder moet”. Maar één ding bond hij ons alvast op het hart. Hij wilde – positivo in hart en nieren tenslotte – absoluut geen tegenbeweging. „Ik wil een vóórbeweging. Mijn insteek was om als maatschappelijke organisaties en als burgers te laten zien hoe het wèl kan in Nederland.”

Zijn insteek.

Je kunt het oneens zijn met Wilders. Je kunt een hekel aan die man hebben. Je kunt hem tot op het bot haten. Je kunt stiekem hopen dat hij op een onbewaakt ogenblik getroffen wordt –nee, natuurlijk niet door een jihadist, maar laten we zeggen door de bliksem, en dat hij voor de rest van z’n leven met stomheid geslagen blijft. Allemaal tot je dienst. Je schijnt de duivel te kunnen uitdrijven met Beëlzebub. Maar je gaat als fatsoenlijke Nederlander Wilders toch niet bestrijden met de insteek van Doekle Terpstra?

Dacht ik.

Tot me het nieuws bereikte dat zes prominente Nederlanders zich in het weekeinde al hebben aangesloten bij de vóórbeweging. Dat zou je gauw weinig kunnen noemen. Maar als je de namen leest, en het aantal mensen bij mekaar optelt dat zij direct of indirect representeren, dan kan Wilders die film van ’m waarschijnlijk nu al op z’n buik schrijven.

Ik noem ze.

Elco Brinkman; het hele bouwen. Foppe de Haan: het hele voetbal. Annemarie Jorritsma: heel Almere. Erica Terpstra: de hele Olympische Beweging. Rabbijn Soetendorp: heel Israël. Geert Mak: heel Europa.

Dat zijn er zeker zestien miljoen, minus de vijfhonderdduizend stemmers op de PVV. Zestien miljoen mensen die ineens allemaal spontaan denken: genoeg is genoeg. Zestien miljoen mensen die morgen ‘ik ben woedend’ willen schrijven op een ansichtkaart. Zestien miljoen mensen die opstaan tegen de heidenen op het Binnenhof, om voortaan zelf de handen uit de mouwen te steken.

Heel Nederland?

Gelukkig hoor ik net dat Doekle het niet zo kwaad heeft bedoeld.