De echte vraag is of er een morele waarheid bestaat

nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een dilemma.

Vandaag: bestaat ‘de’ Nederlander nou wel of niet?

Het debat over ‘de Nederlandse identiteit’ lijkt te zijn verzand in wederzijdse verontwaardiging. Prinses Máxima kreeg de politieke wind van voren toen zij in een toespraak stelde dat „de Nederlander niet bestaat”. PVV-leider Geert Wilders noemde die constatering „politiek-correcte prietpraat” en Rita Verdonk (TON) vond dat de prinses het grootste deel van de Nederlanders „tekort” had gedaan.

Daarop sloeg de verbazing over naar het andere kamp: premier Balkenende en minister Vogelaar (Integratie, PvdA) snapten niets van alle ophef. Prins Willem Alexander schoot zijn echtgenote nog te hulp door te stellen dat Máxima het „goed bedoeld” had en onlangs sloot ook eurocommissaris Neelie Kroes zich aan bij het kamp van de ‘identiteitsontkenners’ (NRC Handelsblad, 24 november).

Aardig voor de krantenkoppen misschien, maar de werkelijke kwestie is wel uit beeld geraakt. De vraag wat identiteit eigenlijk is wordt niet gesteld, en de vraag of wij er één hebben dus ook niet beantwoord. Daarom stel ik de vraag hier. Een coherent antwoord geven zou overigens duizend-en-een boeken beslaan, dus dat is hier de ambitie niet. Maar een grove schets is wel te maken. En gaandeweg zal blijken dat de vraag of ‘de’ Nederlander bestáát, helemaal niet aan de orde is, maar dat andere motieven op de achtergrond het debat bepalen.

Een van de meest invloedrijke, hedendaagse definities van identiteit wordt gegeven door de Amerikaanse filosofe Christine Korsgaard in het boek The Sources of Normativity (1996). Ze baseert zich daarbij grotendeels op het denken van verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804). De hier volgende definitie is dus goeddeels aan hem toe te schrijven.

De vraag naar identiteit begint met het zelfbewustzijn. De mens is zich, meer dan welk organisme ook, bewust van zijn eigen bewustzijn. Dat wil zeggen: de mens is, in tegenstelling tot dieren, in staat om te ‘reflecteren op zichzelf’. Dit vermogen geeft hem een unieke eigenschap, namelijk een vrije wil. De mens handelt immers niet uitsluitend uit impuls of uit primair verlangen, zoals dieren automatisch gaan eten als ze honger hebben, maar is in staat te reflecteren op zijn gevoel. Een mens kan bewust handelen: als hij honger heeft, kan hij ook besluiten niet te eten.

Kants definitie van identiteit begint dan ook met de veronderstelling van de vrije wil. Zonder vrije wil zou er geen ‘ik’ zijn dat uit eigen beweging handelde. Nu is de vraag: wat is dat eigenlijk, die ‘wilsvrijheid’? Kant antwoordde daarop dat de wil van de mens vrij is „voorzover hij zichzelf de wet op kan leggen”. Daarmee bedoelde Kant: de mens is vrij om te handelen door de redenen die hij zichzelf opdraagt.

Dat klinkt abstracter dan het is. Redenen zijn – simpel gezegd – de dingen die op het woordje ‘omdat’ volgen: ik ga niet eten, omdat ik wil afvallen. Of: ik ga dit stukje schrijven, omdat ik iets wil uitleggen. Die redenen zijn de ‘wetten’ van de wil: ze dragen de mens op om iets te doen (of iets te laten). Anders gezegd, aan iedere menselijke handeling gaat een reden vooraf, die leidt tot een besluit. Zonder ‘redenen’ zou er dus geen wilsvrijheid zijn – het is dan immers onmogelijk om iets te besluiten. Een typisch voorbeeld hiervan is de volstrekt lethargische romanfiguur Oblomov van de Russische schrijver Ivan Goncharov: Oblomov heeft geen redenen (hij ziet nergens de zin van in) en is daarom tot niets in staat.

Wat heeft dit alles met identiteit te maken? Welnu, Kant stelde dat de menselijke identiteit bestaat uit de beweegredenen die een mens heeft. Simpeler gezegd: de redenen waarom ik doe wat ik doe en laat wat ik laat, zijn bij elkaar opgeteld wie ik ben. Dit is eigenlijk heel logisch: iemand die heel consistent is in zijn redenen (in waarom hij dingen doet of laat) noemen we niet voor niets een ‘sterke persoonlijkheid’. Hij heeft een duidelijke identiteit.

Kant voegde aan dit alles echter nog een interessante dimensie toe. Hij stelde namelijk dat deze definitie van identiteit (‘waarom ik handel is wie ik ben’) een morele definitie is. Want, zei Kant, wil een beweegreden ook daadwerkelijk een beweegreden zijn, dan moet deze door de persoon in kwestie als ‘goed’ worden gezien. Als ik iets als een ‘slechte’ reden beschouw, dan brengt zo’n reden mij niet tot handelen. Een ‘slechte’ reden is geen reden; alleen ‘goede’ redenen kunnen leiden tot een besluit.

Dat betekent: om een identiteit te kunnen hebben is ‘een idee van goed en slecht’ vereist. Zonder idee van ‘goed en slecht’ zouden alle redenen triviaal zijn; iedere reden is dan om het even – en dus geen reden meer. Om ‘iemand te zijn’ moet je, volgens Kant, dus een definitie van ‘goed’ en ‘slecht’ tot je beschikking hebben waarop je je redenen kan baseren. De Kantiaanse definitie van identiteit is daarom, kort samengevat, ‘het vermogen tot moreel handelen’. Het ‘ik’ is onze bron van normativiteit, zoals Christine Korsgaard het formuleert – onze eigen, door de rede gedicteerde morele wetgever.

Dit is precies de definitie van identiteit die politici als Verdonk en (met name) Wilders hanteren. De kwestie is voor hen dus ook niet of er een ‘prototypsiche’ Nederlander bestáát. Nee, de kwestie is dat daarmee een morele waarheid samenhangt; een morele waarheid, die Wilders en Verdonk – door deze ‘Nederlands’ te dopen – tot iets algemeen geldigs in ons land verheffen. Zij zijn morele positivisten, evenals Kant. Zij stellen: er is een morele waarheid die onze identiteit vormt, en daar heeft een ieder die in Nederland woont zich in te schikken.

Deze denkwijze legt overigens een kapitale denkfout in het gedachtengoed van Wilders bloot – een fout die gisteren in alle commotie rondom de ‘tegenbeweging’ van Doekle Terpstra weer opgeld deed. Wilders zei namelijk, zoals hij bij herhaling beweert, dat hij uitsluitend kritiek heeft op „de islam” en niet op „moslims” (nrc.next, 4 december). Maar volgens de definitie van identiteit die hij zélf hanteert, is ‘wie iemand is’ gelijk aan ‘de overtuigingen die hij heeft’. Als de ‘westerse’ normen en waarden normatief zijn voor ‘de Nederlander’, dan moeten per definitie de ‘islamitische’ normen en waarden bepalend zijn voor ‘de moslim’.

Volgens zijn eigen gedachtengang kan Wilders dus onmogelijk beweren dat hij de islamitische moraliteit verwerpt, zonder daarmee de dragers van die overtuigingen niet óók te verwerpen. Het is één van twee: of Wilders verlaat zijn normatieve definitie van identiteit en kan met een gerust hart „de islam” bekritiseren als iets dat los staat van „moslims”, óf hij behoudt zijn definitie van identiteit en erkent dat hij met ‘de islam’ ook ‘de gelovers ervan’ bedoelt. Hij kan niet ‘de Nederlandse identiteit’ vereenzelvigen met een normatieve, westerse moraal en tegelijkertijd de moslim loskoppelen van ‘de islam’.

Doordat Wilders de kritiek van Doekle Terpstra op zijn gedachtengoed verwierp als een abjecte „aanval op mijn persoon”, voegde Wilders zich eigenlijk stiekem in het kamp van identiteitsontkenners: Terspstra mag volgens Wilders best kritiek hebben op zijn „politieke overtuigingen” maar niet op ‘zijn persoon’. Daarmee zegt hij dus: de morele overtuigingen en de persoon zijn niet hetzelfde.

Laat dat nu precies de kritiek zijn van denkers als Friedrich Nietzsche (1844-1900), en recenter Bernard Williams (1929-2003), op Kants definitie van identiteit. Vooral anti-moralist Nietzsche zag weinig in zo’n ‘morele identiteit’. Want, zei Nietzsche, een definitie van morele waarheid bestaat helemaal niet: wat iemand ‘goed’ noemt is een kwestie van wat hem op dat moment het beste uitkomt – wat zijn positie bevordert. Moraliteit is geen kwestie van ‘waarheid’, maar van persoonlijke voorkeur.

Vanuit dit relativistische perspectief bekeken bestaat er dus ook niet zoiets als een eenduidige identiteit: de redenen die mensen aanvoeren voor hun handelen zijn niet afhankelijk van een rationele morele waarheid, zoals Kant stelt, maar van toevallige, steeds weer veranderende omstandigheden en persoonlijke voorkeuren. Een reden die ik vandaag als ‘goed’ bestempel, zou ik in een andere situatie misschien als ‘slecht’ beschouwen, afhankelijk van wat ik met mijn handelen beoog. Mijn identiteit is zo bekeken vloeibaar; aan constante verandering onderhevig. Het ‘ik’ laat zich dus niet vaststellen of definiëren – en bestaat in die zin dus ook niet, stelt Nietzsche.

Daarmee zijn we bij het heimelijke motief van de ‘identiteitsontkenners’ als prinses Máxima en minister Vogelaar aanbeland. Zij zijn relativisten of pragmatisten: zij hanteren geen definitie van morele waarheid, of hanteren er meerdere. Met de uitspraak ‘de Nederlander bestaat niet’ bedoelen zij dus óók niet of er een prototypische Nederlander bestaat, maar eerder: dat zo’n identiteit niet normatief is. Impliciet stelde Máxima in haar omstreden toespraak dat iedereen zijn eigen, persoonlijke morele overtuigingen mag hebben – dat niemand zich hoeft aan te passen aan een zogenaamde, Nederlandse ‘morele waarheid’.

Of ‘de’ Nederlander bestaat is dus geen kwestie van sociologie, maar van wereldbeeld. Is morele waarheid iets strikt persoonlijks (subjectief) of iets algemeen geldigs (objectief)? Bent u een subjectivist, dan bent u het eens met Máxima en Vogelaar. Bent u een positivist, dan schaart u zich aan de zijde van Wilders en Verdonk.

Aan het antwoord is verder niets ‘Nederlands’.