Twijfel

Omdat ik niet vaak in de spits hoef te reizen, werd ik overrompeld door de menigte die ’s middags tegen vijf uur in Den Haag de trein naar Amsterdam beklom. Beladen met zware tassen hesen de forensen zich puffend aan boord, sommigen nog net op tijd.

Ik was wat eerder gearriveerd en zat geriefelijk, maar daar kwam verandering in toen de mensen zich bij gebrek aan zitplaatsen in het gangpad naast mij opstelden. Zolang het om jonge mensen met jonge benen gaat, is er niet zoveel aan de hand. Maar wat te doen met mensen die ongeveer even oud zijn als jij? Moet je na een kwartiertje niet opstaan om ze ook even te laten rusten? Daar zou iets voor te zeggen zijn, al heb ik het nog nooit zien gebeuren. De gezeten burger hecht aan zijn verworvenheden.

In mijn geval was het nog lastiger, want degene die naast mij in het gangpad stond was een elegante, donkerharige vrouw van halverwege de veertig op hoge hakken. Ze wiebelde en wankelde, mooi, maar breekbaar, af en toe verkrampt steun zoekend. Ik keek naar de man die tegenover mij zat: een zelfverzekerde dertiger in een fraai maatpak, iemand die zich zijn plaats in de wereld – en zeker deze – nooit zou laten afnemen.

Kortom, het was gedaan met mijn rust.

Schaamtekriebels kropen als een leger rode mieren mijn halsboordje binnen. Ik kon toch moeilijk een uur lang doodgemoedereerd de krant blijven lezen, terwijl die vrouw boven mijn hoofd stond te zuchten?

Goed, ik was vijftien jaar ouder dan zij, maar mij mankeerde toch verder niets? Aan de andere kant, zij had zichzelf in de problemen gebracht door te laat deze trein te nemen.

Geen gezeur nu, beet ik mezelf toe, en ik stond op en zei: „Als u wilt zitten…”

„Nou, graag”, zei ze.

En daar stond ik dan. Ik probeerde door te lopen, maar raakte al snel muurvast beklemd tussen al die andere reizigers, die erbij stonden alsof ze in afwachting waren van het laatste oordeel. Het was echt het dagelijkse Dante-uurtje van de Nederlandse Spoorwegen.

Wat had me bezield, vroeg ik me af. Hoffelijkheid? Dat zou mooi zijn, maar die schaamtegevoelens hadden niet zoveel met hoffelijkheid te maken gehad. Gelukkig hoefde de buitenwereld hier niets van te weten, daar overheerste de gedachte: wat ’n heer. Toen kwam de twijfel. Ze konden ook denken: wat ’n schlemiel.

Thuisgekomen – ja, dat is toch nog gelukt – vroeg ik menigeen: wat had jij in mijn plaats gedaan? Iedereen, jong en oud, man en vrouw, zei: die vrouw was jong genoeg om te blijven staan. Diep teleurgesteld haalde ik er Inez van Eijk bij, althans, haar boekje Etiquette. Zij schrijft: „Sta uw zitplaats af aan ouderen, aan mensen die moeilijk ter been zijn of er zeer vermoeid uitzien, aan zwangeren en aan mensen met kleine kinderen.”

Dus niet aan vrouwen die vijftien jaar jonger zijn? Ik bladerde bedroefd door tot ik veel verderop opeens zag staan: „Hoffelijke mannen staan hun zitplaats ook af aan vrouwen (ongeacht leeftijd)…”

Triomf! Blijft de vraag: wat doe ik de volgende keer? Ik weet het nog niet, eerlijk gezegd hoop ik dat ik dan nogal moeilijk ter been zal zijn, of een beetje zwanger.