Moslims in de schaduw van Peking

In het uiterste westen van China wonen de Oeigoeren, ver weg van Peking. Maar Peking komt steeds dichterbij door de migratie van miljoenen Han Chinezen. De overwegend islamitische Oeigoeren voelen zich bedreigd.

Een Oeigoerse kapper in Urumqi masseert het hoofd van een klant. Oeigoeren zijn de grootste bevolkingsgroep in de regio Xinjiang, waarvan Urumqi de hoofdstad is. Foto AFP A Uighur barber gives an elderly man a head massage at a Uighur neighborhood in Urumqi, China's northwestern autonomous region of Xinjiang 06 November. Xinjiang has 43 different minorities with the Moslem Uighur nationality making up nearly half of the 17 million population of the region and are one of the poorest ethnic groups in China. AFP PHOTO/GOH Chai Hin AFP

„De Chinezen zijn alleen uit op olie en macht. Wij zien niets van onze rijkdommen. De Olympische Spelen zijn niet ons feest”, zegt een oude Oeigoerse broodjesverkoper in een traditionele moslimwijk in Urumqi, de hoofdstad van de afgelegen regio Xinjiang in het uiterste westen van China.

Op straat wordt een geslachte koe met huid en haar verhandeld. Onder een stuk zeil verkoopt Kamaza messen uit zijn geboorteplaats Kashgar. Een vrouw neemt de zaken nu even voor hem waar, want Kazama maakt aanstalten om voor de derde keer vandaag naar de moskee te gaan. Hij spreekt Chinees maar hij zegt dat hij het alleen gebruikt wanneer het voor zijn handel noodzakelijk is. „Ik ben er trots op dat ik een Oeigoer ben”, zegt Kamaza.

Even verderop op het plein voor de Grote Bazaar met zijn overdekte markthallen drijven Chinezen en Oeigoeren naast elkaar handel. De Chinese Jie Chun verkoopt sieraden van jade. Haar grootouders werden in de roerige jaren van de Culturele Revolutie naar het verre Xinjiang gestuurd. Daar moesten ze een nieuw bestaan opbouwen. „Ik heb wel Oeigoerse vrienden, maar buiten het werk heb ik met hen geen contact.” zegt Jie Chun. „We leven hier gescheiden levens. Oeigoeren hebben hun eigen scholen maar die worden streng gecontroleerd door de overheid.”

Rond de bazaar in de moslimwijk in Urumqi bestaan twee werelden naast elkaar, maar de spanningen tussen Oeigoeren en Chinezen lijken hier niet hoog op te lopen. Toch is het van oudsher onrustig in het verre westen van China. Xinjiang, formeel een semi-autonome regio van China, grenst aan Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan, Afghanistan, Pakistan en India. Alleen al wegens die geografische ligging is de regio van groot strategisch belang voor China. Maar niet minder dragen de rijke olie- en gasvoorraden bij aan het belang dat Peking al sinds jaar en dag hecht aan controle over het gebied.

Dat verklaart ook waarom in de afgelopen decennia – onder strakke regie van de overheid – miljoenen Han Chinezen naar Xinjiang zijn gemigreerd. Er wonen anno 2007 ongeveer acht miljoen Oeigoeren in het gebied, tegenover zes miljoen Chinezen. Vóór de annexatie van Xinjiang bij China in 1949 waren er nog geen 300.000 Chinezen woonachtig.

De islamitische Oeigoeren voelen zich in het nauw gedreven door de komst van zoveel Chinezen. Ze klagen dat hun culturele en religieuze identiteit wordt bedreigd. En ze voelen zich achtergesteld in hun economische ontplooiingsmogelijkheden.

Extremistische Oeigoeren, diep in het zuidwesten tegen de grens met onder andere Afghanistan en Pakistan, willen het liefst van China af. Ze vechten voor een onafhankelijk ‘Oost-Turkestan’. In de jaren ’90 vestigden ze internationaal de aandacht op het Oeigoerse separatisme met bomaanslagen in onder andere Urumqi en Peking. Na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS heeft China de klopjacht op de vermeende separatisten geïntensiveerd. Peking verwijst daarbij graag naar ‘terroristische’ contacten met Al-Qaeda in Afghanistan en Pakistan.

Maar ‘separatistische terroristen’ laten zich niet zien op straat in Urumqi. „Rebiya is mijn held”, zegt een meisje op de bovenste verdieping van een bouwvallig warenhuis. Ze zit achter een naaimachine gordijnen te stikken. Het meisje doelt op de beroemde activiste Rebiya Kadeer, de moeder van elf kinderen die van straatverkoopstertje ten tijde van de Culturele Revolutie opklom tot een van de rijkste zakenvrouwen van China. Ze had contacten tot op het hoogste politieke niveau in Peking. Ook het warenhuis waarin de naaister aan het werk is, behoorde ooit tot haar imperium.

Maar de ‘Moeder van de Oeigoeren’ woont niet langer in Urumqi. Ze viel in ongenade, niet omdat ze naar onafhankelijkheid streefde maar omdat ze maar bleef hameren op emancipatie van haar volk. Dat ze cursussen gaf aan vrouwen om hun te leren zelf hun boterham te verdienen, was nog daar aan toe. Maar toen ze steeds openlijker de onderdrukking van de Oeigoerse cultuur en de arrestatie en foltering van activisten begon te bekritiseren, raakte het geduld van de autoriteiten op. In 1999 werd ze opgepakt en in 2002 tot acht jaar cel veroordeeld. Nu leeft ze als balling in de VS waarnaar ze in maart 2005 mocht vertrekken.

„Rebiya heeft veel aan liefdadigheid gedaan. Ze heeft ons vrouwen de ogen geopend en ze heeft ons volk geleerd trots te zijn”, zegt de naaister. „Maar de regering heeft haar verkeerd begrepen en haar voor terrorist aangezien. Na 11 september 2001 hebben wij Oeigoeren het slechter gekregen. De overheid ziet in elke moslim een potentiële terrorist.”

Een tapijtverkoper in de bazaar bevestigt dat beeld. Oeigoeren, zegt hij, kunnen best de politiek in, maar dan moeten ze hun geloof en hun cultuur ondergeschikt maken aan het communisme. „De Oeigoeren die in de politiek gaan moeten hun identiteit opgeven. De enige die ook in de politiek trouw aan haar volk is gebleven, is Rebiya Kadeer. Maar dat is niet goed afgelopen.”

Vlak achter de bazaar staat een van de 360 moskeeën die Urumqi rijk is. Op vrijdag komen hier zo’n driehonderd gelovigen om te bidden. In een kamertje onder de gebedsruimte heeft imam Abdullizi zich zojuist gewassen voor de gebedsdienst. De Oeigoerse voorganger heeft zijn driejarige opleiding gehad in het officiële, door de overheid gesanctioneerde islamitisch socialistisch centrum. Peking staat het de Oeigoerse imams niet toe in Pakistan of Saoedi-Arabië te studeren. Op de vraag of hij niet graag buiten China had willen studeren, geeft hij geen antwoord.

Pas na hun vijftigste levensjaar mogen Oeigoeren op pelgrimstocht naar Mekka, vertelt de imam. „Jonge moslims mogen van de overheid niet te veel in contact komen met fundamentalistische invloeden.”

Voelt hij zich niet beknot in het belijden van zijn geloof? Abdullizi zegt dat het tijd is om naar de gebedsdienst te gaan.

Even verderop, in een moskee aan de overkant van de straat, is het zo druk dat honderden gelovigen zelfs buiten op het trottoir hun kleedjes moeten uitrollen. Ook messenverkoper Kamaza gaat naar deze moskee en niet naar die van imam Abdullizi. „De gebedsdienst is daar hetzelfde, maar de sfeer is anders. De meeste Oeigoeren spreken daar vaker Chinees dan Oeigoers”, zegt hij.