‘Ik vertel het slechte nieuws desnoods al in de gang’

Kapitein Jasper Gorissen, bedrijfsmaatschappelijk werker van Defensie, informeert relaties van gesneuvelde militairen over het verlies van hun ‘dierbare’.

Het debat ging onder meer over bodybags, toen Nederland twee jaar geleden besloot tot deelname aan de NAVO-missie in Afghanistan. Tegenstanders betwijfelden of de missie steun zou houden als „de eerste bodybags” in Nederland zouden aankomen. Sindsdien verloren twaalf Nederlandse militairen het leven. Hun lichamen kwamen – in zinken kisten – terug. Over bodybags hoor je niemand meer. Vorige week besloot het kabinet de missie met twee jaar te verlengen.

Kapitein Jasper Gorissen (31), een van de tachtig bedrijfsmaatschappelijk werkers van het ministerie van Defensie, spreekt niet van bodybags, maar van „dierbaren”. Hij werkt op de kazerne in Oirschot en is uitgezonden geweest naar Irak en Afghanistan, als lid van een sociaal-medisch team. Het behoort tot zijn werk de nabestaanden van gesneuvelde militairen te begeleiden. Niet onbelangrijk, want het draagvlak voor een missie hangt deels af van de zorgvuldigheid waarmee het leger met het thuisfront omgaat.

Gorissen, een zachtaardige, wat verlegen man, vraagt de familie of ze bij de baar willen zijn als de kist in Nederland aankomt. Of ze willen dat hun zoon of echtgenoot wordt opgebaard in militair tenue, en of dat dan zijn gevechtspak of zijn nette pak moet zijn. Of ze prijs stellen op een uitvaart met militaire eer.

Maar eerst is hij de brenger van het slechte nieuws. Militairen hebben voor vertrek twee adressen opgegeven van relaties die als eerste moeten worden gewaarschuwd. Defensie probeert de familie binnen anderhalf uur te bereiken.

Kloppen de adressen altijd?

„Dat is de verantwoordelijkheid van de militair, maar het wordt tig keer gecontroleerd, tot bij het vliegtuig waarmee hij vertrekt.”

Wat doet u als er niemand thuis is?

„Ik pols de buren of wijk uit naar het tweede adres. Soms leg ik via via contact met het uitzendgebied, waar iemand misschien weet of de relatie op vakantie is. Bellen is de laatste optie. Je weet niet waar iemand is, misschien zit hij wel in de auto.

„Wanneer ik hoor stommelen aan de andere kant van de deur, weet ik dat daar iemand is die zo een heel vervelend bericht krijgt. Dat is dubbel. Je wilt dat bericht eigenlijk niet geven. Tegelijk weet je dat je niet verder hoeft zoeken.”

Wat zegt u als eerste?

„Ik leg uit wie ik ben en vertel waarvoor ik kom. Desnoods al in de gang. We proberen geen tijd te rekken, dat werkt niet. Mensen worden alleen maar gespannener.”

Hoe reageren mensen op het bericht?

„Ze begrijpen het niet direct. Ze vragen hoe het gebeurd is, wie erbij betrokken waren. Mensen hebben vaak meer vragen dan ik op dat moment kan beantwoorden. Als ik iets niet weet, zoek ik het uit. Ik verzin geen verhalen en ga niet speculeren. Alles wat we vertellen is geverifieerd. Ik vraag er van tevoren wel altijd bij waar het stoffelijk overschot is. Dat vinden mensen heel belangrijk. Ze willen weten waar hun dierbare is.”

Zijn mensen boos?

„Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Mensen zijn verdoofd, ze zoeken naar houvast.”

Wat geeft houvast?

„Gewone dingen. Altijd komt het moment dat ze vragen of ze je koffie kunnen aanbieden, of iets te eten.”

Hoe lang duurt zo’n eerste gesprek?

„Uren. Mensen zijn intens verdrietig. Er komen vrienden en familie langs. Intussen probeer ik meer informatie te verzamelen. Daarvoor ga ik het liefst even naar buiten.”

Verzamelt u ook informatie over de persoon van de dode? Wie hij was, hoe hij was?

„Nee. Dat wordt mij aangeleverd, of mensen vertellen het zelf. Ze komen met foto’s, vertellen wanneer ze hem voor het laatst hebben gesproken of gezien.”

Vertelt u het als iemand bijvoorbeeld niet zo moedig is geweest?

„Dat heb ik nooit meegemaakt. Iemand kan misschien een freeze moment hebben gehad. Of anders dan nodig hebben gehandeld. Maar ik zou niet weten waarom zoiets in de berichtgeving terecht zou komen. Hoogstens als collega’s daarover vertellen.”

Stelt de familie prijs op contact met collega’s?

„Dat wilden ze tot nu toe altijd. Hun man of zoon heeft veel verteld over buddy’s, een commandant. Het thuisfront wil weten hoe het met hen gaat. En ze willen weten of hij zijn dood bewust heeft meegekregen. Of hij pijn heeft gehad. Ze willen een ander beeld dan de media schetsen. Het maakt verschil of ze het horen op het journaal of van iemand die erbij betrokken is geweest.”

Hoe komt zo’n ontmoeting tot stand?

„Collega’s komen naar Nederland als begeleider van het stoffelijk overschot, of als vertegenwoordiger van het uitzendgebied. Soms is er al even contact als het stoffelijk overschot aankomt, bij de ceremonie op de luchthaven. Later bezoeken ze de familie nog een keer rustig. Soms bezoeken nabestaanden een militair die bij hetzelfde incident gewond is geraakt.”

Hoe komen de spullen van de overledene terug naar Nederland?

„Er gaat ook een maatschappelijk werker mee als begeleider van het stoffelijk overschot. Die is verantwoordelijk voor de persoonlijke bezittingen. Ze worden vrij snel in bewaring gesteld, zodat niets kwijtraakt. We vragen ook altijd meteen of er dingen zijn die mensen in de kist of bij de baar willen hebben. Dat kan van alles zijn. Van de baret die hij heeft gedragen, tot ‘hij had altijd dat T-shirt aan’.”

Hoe lang blijft u de familie begeleiden?

„Daar zit geen eindtijd op. Sowieso begeleid je mensen met praktische zaken, zoals verzekeringen, het opzeggen van dingen. Als mensen willen, staan we hen ook in emotioneel opzicht bij.”

Hebben mensen behoefte te weten of de dood van de militair ‘zin’ had? Zegt u bijvoorbeeld dat hij is gestorven voor het vaderland?

„Ik zal dat nooit zeggen. Wie ben ik om dat te doen? Mensen beseffen: hij heeft ervoor gekozen. Dit was zijn leven. Dat neemt het verdriet niet weg. Ik maak het niet mooier of heldhaftiger dan het is.”