Een proces om het principe

De zaak-Voskuil is een typisch geval van een proces om het principe.

Iedereen mag zichzelf journalist noemen, maar niet iedereen mag zo maar zwijgen.

1Wat is verschoningsrecht?

Voor een journalist betekent het dat hij mag zwijgen over de identiteit van zijn bron en dat hij het recht heeft geen antwoord te geven. Bijvoorbeeld aan de rechter of de politie. Maar ook aan de baas of de buurman. Ook andere vrije beroepen als artsen, notarissen, accountants en advocaten kennen een dergelijk beroepsgeheim. Net als tolken en priesters. Familieleden van verdachten hoeven evenmin te getuigen.

In het algemeen is het verschoningsrecht één van de belangrijke waarborgen voor de burger tegen de almacht van de staat. De zin van zo’n verschoningsrecht is dat je vrij en vertrouwelijk kunt praten over je gezondheid, financiën en andere privékwesties met anderen in omschreven beroepen. Het beschermt het privédomein en de gewetensvrijheid.

Behalve als schild voor het individu is zo’n recht ook nuttig voor de samenleving. Beroepsgeheim zorgt ervoor dat informatie die schadelijk, explosief of kwetsbaar is, met tenminste één ander kan worden gedeeld. Dat is in het belang van bijvoorbeeld volksgezondheid, eerlijke rechtspleging en persvrijheid. Geheimhouders hebben meestal maatschappelijk een bufferfunctie. Omdat zij de geheime informatie soms toch kunnen of moeten gebruiken, meestal geanonimiseerd, vormen zij een maatschappelijk veiligheidsventiel. Hun beroepsgeheim is niet absoluut -er zijn strikt geformuleerde uitzonderingen mogelijk. Daarover gaan dan ook altijd de geschillen.

2 Hoe belandt een Nederlandse journalist van het dagblad ‘Sp!ts’ bij het Europese Hof in Straatsburg?

Over journalisten regelt de wet in Nederland helemaal niets. Zelfs het woord journalist komt er niet in voor. Het verschoningsrecht voor journalisten is ‘rechtersrecht’. Het is erkend door het Europese Hof in 1996 in de zaak-Goodwin. Als afgeleide van de informatie- en persvrijheid, één van de mensenrechten. Sindsdien keuren Nederlandse rechters het ook goed.

Maar niet altijd, zoals Voskuil in 2000 ondervond. Hij was na twee weken vrijgelaten door hetzelfde Gerechtshof Amsterdam dat hem eerst had opgesloten. Cassatie bij de Hoge Raad was niet mogelijk. En Voskuil wilde voorkomen dat de volgende collega weer gegijzeld kon worden. De journalistenvakbond NVJ tekende daarom namens hem beroep aan bij het Europese Hof in het Franse Straatsburg. De zaak-Voskuil is een typisch geval van een proces om het principe: kijken of de gijzeling wel mocht en of de Nederlandse procedure en praktijk wel deugden. De NVJ betaalde de kosten.

3Wat is ‘Straatsburg’ voor hof?

Het Hof is weliswaar Europees, maar het hoort niet bij de Europese Unie. Het Hof in Straatsburg maakt deel uit van de Raad van Europa, de club van democratische landen, opgericht in 1949 in Londen, met 47 lidstaten en een Nederlandse voorzitter, René van der Linden (CDA). Dat Hof kijkt maar in één wetboek: het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens uit 1950. Dat is een ongelooflijk belangrijk document. Het is een ethische standaard dat politieke en juridische beloften doet aan iedere burger in Europa. Alle burgers kunnen er een direct beroep op doen. Om te beginnen voor de eigen rechter, maar als dat tot in hoogste instantie niet helpt, door in Straatsburg beroep te vragen. Feitelijk sleep je dan je eigen land voor de internationale rechter, met het verwijt dat je nationale regels niet kloppen. Het Verdrag gaat immers boven de nationale wetten.

Doordat Voskuil en de NVJ wonnen bezorgden zij Nederland ook behoorlijk gezichtsverlies. Andere landen mogen nu zeggen dat het met de vrijheid van meningsuiting hier toch niet zo goed geregeld is. Dat kan goed uitkomen, als Den Haag andere landen op schendingen van mensenrechten wijst. Dat is uitgerekend een hoeksteen van Nederlands buitenlandse beleid.

4 Moet er naar het hof in Straatsburg worden geluisterd?

Als een lidstaat een zaak verliest moet soms de eigen wet worden aangepast. Nationale rechters moeten de uitspraak overnemen. Ook de overheid moet z’n gedrag veranderen. Af en toe moet er ook schade van de klager worden vergoed. Het arrest-Voskuil bevestigt het eerdere arrest-Goodwin. Nederlandse rechters zullen strenger controleren op de uitzonderingen. Het is na deze uitspraak dus moeilijker geworden om journalisten te gijzelen. Maar onmogelijk is het niet.

Gijzeling van journalisten komt weinig voor. Volgens de pershistoricus Huub Wijfjes, die dat uitzocht voor zijn boek Journalistiek in Nederland, waren er welgeteld zeven gevallen van gijzeling (inclusief Voskuil) in de afgelopen 150 jaar. In 2006 kwamen daar twee journalisten van De Telegraaf bij die kort werden vastgezet omdat ook zij hun bron niet wilden verraden. Justitie bedacht zich echter binnen twee dagen en liet ze weer vrij.

5 Wanneer moet een journalist zijn beroepsgeheim opgeven?

Sinds de journalist Goodwin in 1996 zijn zaak won, staat vast dat bronbescherming een basisvoorwaarde voor persvrijheid is. Straatsburg geeft ook aan wanneer een lidstaat een journalist wél mag beperken in die vrijheid. Namelijk als er sprake is van een ‘overriding requirement in the public interest’. Er moet dus een nog zwaarder algemeen belang zijn dan de informatie- en persvrijheid. In de zaak-Voskuil heeft de Staat geprobeerd aannemelijk te maken dat daar sprake van was. De reputatie en de integriteit van de Amsterdamse politie en het recht op een eerlijk proces voor een verdachte wapenhandelaar zouden door het artikel van Voskuil zijn bedreigd. De Staat vond het belangrijker om die bron te kennen dan om de pers z’n gang te laten gaan.

Maar het Hof in Straatsburg was niet onder de indruk. Het publiek heeft juist het recht om te worden ingelicht over eventuele onfatsoenlijke methodes van de politie. En de rechters waren onaangenaam getroffen door „hoe ver de Nederlandse autoriteiten willen gaan” om de identiteit van een bron te achterhalen. Een journalist twee weken vastzetten is dus buiten proportie. Conclusie: „De weegschaal met concurrerende belangen slaat door ten voordele van een vrije pers”. Nederland heeft artikel 10 van het Verdrag geschonden: het recht op vrijheid van meningsuiting.

De Nederlandse rechter doorbrak eerder het zwijgrecht van journalisten. Zo mocht Weekend niet de identiteit van een fotograaf verzwijgen wiens naaktfoto’s van Karin Bloemen het had gepubliceerd. Ook Story mocht de herkomst van foto’s van het interieur van de woning van Belinda Meuldijk niet verzwijgen. De roddelbladen maakten hun bronnen bekend. Zij gingen niet naar Straatsburg om te vragen of hier een ‘verkillend effect’ van zou uitgaan op toekomstige bronnen. Verder wordt aanvaard dat journalisten geen bronnen geheim mogen houden als daardoor mensenlevens niet gered zouden kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan terreur.

6 Mag iedereen zich journalist noemen en daarna over alles zwijgen?

Het antwoord op de eerste helft van de vraag is ‘ja’ en op de tweede helft is dus ‘ja en nee’ – het is altijd een afweging. Journalist is geen beschermde titel en geen wettelijk erkend beroep. Iedereen mag zich morgen journalist noemen. Maar om zo’n verschoningsrecht te krijgen is er meer nodig dan een visitekaartje. Het moet om zwaarwegende informatie gaan, waarmee een groot publiek belang is gediend. Die informatie moet zijn verzameld in het kader van nieuwsgaring en relevant zijn voor de waakhondfunctie van de pers.

In de praktijk komen alleen ervaren journalisten in zo’n situatie terecht. Maar dat is geen vereiste. Een stagiair van de krant die op z’n eerste werkdag op een schandaal stuit dankzij een geheime bron voldoet al aan de eisen. Hij of zij heeft op dezelfde grond zwijgrecht als een ervaren journalist met een vaste baan. Dat geldt ook de amateurjournalist bij een postduivenweblog met een geheime bron die vertelt over, pakweg, doping voor wedstrijdduiven.

Journalistiek verschoningsrecht is dan ook een functie van de vrijheid van meningsuiting, geen privilege van een bepaald beroep. Juristen noemen dat een recht met een institutioneel karakter.

Na het Voskuil-arrest gaan er overigens stemmen op om dat te veranderen. De vakbond van de journalisten wil het verschoningsrecht vastleggen in de wet en formeel toekennen aan ‘journalisten’. De politiek is het daar mee eens. Vorige week werd in de Kamer een eerste poging gedaan om te definiëren wie er journalisten zijn. En vooral wie niet. Op de opiniepagina’s van Trouw en NRC Handelsblad brak meteen oorlog uit. Het pro-kamp ziet in een wettelijk vastgelegd recht een erkenning van serieuze journalistiek en meer houvast voor de rechter. Het anti-kamp wantrouwt de politieke agenda: het zou een kans zijn om de journalistiek aan banden te leggen en het zwijgrecht zo beperkt mogelijk toe te staan.

Lees de opiniestukken op nrc.nl/opinie. Lees het vonnis in de Voskuil-zaak op echr.coe.int/echr. Klik op HUDOC, gebruik de zoekterm ‘Voskuil’ of het zaaknummer 64752/01.