‘De moeizame worsteling’

„De liefde tot zijn land is ieder aangeboren”, klinkt het aan het slot van Vondels Gijsbrecht van Aemstel. De deelraad van het stadsdeel Amsterdam Centrum is van plan het toneelstuk in kleine brokjes aan het begin van elke raadsvergadering te laten opvoeren. Grappig hierbij te bedenken dat „de liefde tot zijn land” zich voor de figuur van Gijsbrecht inderdaad niet verder heeft kunnen uitstrekken dan tot zijn ‘Aemsterland’. Hij ging in ballingschap naar het verre eiland Marken.

Ook Vondel zelf beschouwde niet de Verenigde Nederlanden, maar de stad Amsterdam als ‘zijn land’. Misschien kan zoiets de discussie over de nationale identiteit relativeren. ‘De liefde tot zijn natiestaat is ieder aangeboren’ bekt niet, ook al heeft iedere Nederlander het sinds de negentiende eeuw aangeleerd gekregen. Maar dat was dan alweer na het Wener Congres van 1815, waar gekroonde hoofden en gepoederde schurken Europa verdeelden zonder acht te slaan op taal, cultuur, godsdienst. In een van de mooiste boeken van het afgelopen jaar, Rites ofPeace, vertelt historicus Adam Zamoyski hoe de gokkende, hoererende en zuipende vorsten de hun toegewezen volken alleen telden als ‘aantallen zielen’ om uit te zuigen en in het leger te dienen.

Daar begint de geschiedenis van Nederland. In het voorwoord van het zojuist verschenen Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2007, De moeizame worsteling met de nationale identiteit, wordt opgemerkt dat de keuze voor een Nederlandse eenheidsstaat niet was ingegeven door historische motieven, maar door internationale belangen. De prins van Oranje, in Wenen vertegenwoordigd door de Duitse Baron von Gagern, moest nog niets hebben van ‘volkssoevereiniteit’.

Het thema van het Jaarboek is goed gekozen, want als iets het jaar 2007 kenmerkt, is het de discussie over ‘nationale identiteit’, ‘trots op Nederland’, dubbele paspoorten, loyaliteit, discriminatie van moslims, etc. De discussie over nationale identiteit is ingegeven door de verhouding tot Europa, maar meer nog door pogingen het wantrouwen ten aanzien van religieuze en etnische minderheden te exploiteren en te voeden. Er is een nieuw nationalisme in opmars dat de collectieve Nederlandse identiteit af wil grenzen om delen van de bevolking uit te kunnen sluiten.

Het Jaarboek plaatst het begrip ‘nationale identiteit’ in een historische context, zonder er een duidelijke definitie van te geven. Dat is ook onmogelijk, kijkend naar de geschiedenis, van hunebed tot Balkenende. Interessant is dan ook dat SP-leider Jan Marijnissen zich in het Jaarboek opnieuw beklaagt over „het gebrek aan historische kennis en historisch besef in Nederland”. Dubbel interessant is zijn visie op de nationale identiteit, omdat het doorgaans rechtse stromingen zijn die zich op het belang daarvan beroepen.

In een uitvoerig interview zegt Marijnissen in het Jaarboek het volgende. „Onze nationale identiteit zijn we al jaren kwijt, want die is samen met onze publieke zilverstukken op de markt gezet, verkocht door neoliberale politici die met de rug naar de samenleving toe staan. […] Bij de identiteit van Nederland hoort ook wat wij beschaving noemen. Dat is meer dan vrijheid en tolerantie, het is ook bereid zijn om veel te investeren in onderwijs en ontwikkeling, in de verheffing van het volk. Het tragische is dat dat niet meer gebeurt. Er zijn decadente aspecten aan de moderne samenleving, niet zozeer onder de beroepsgroepen, maar door het beleid van de kaste van politici die nooit bezig willen zijn met de middellange termijn.” Met tolerantie bedoelt hij uitdrukkelijk „de tolerantie van de Gouden Eeuw en niet de luie tolerantie die je heden ten dage veel ziet”. Marijnissen zet zich vooral af tegen Wouter Bos die „maar niet wil begrijpen dat er (behalve de links-rechts tegenstelling) een tegenstelling met een culturele component is”, te weten individualisme versus gemeenschapszin. „Het CDA en de SP staan op het punt van gemeenschapszin dichter bij elkaar dan de SP en de PvdA.”

Dit doet toch wel erg denken aan het historische begrip van de ‘volksgemeenschap’ dat in tegenstelling tot het socialisme een cultureel in plaats van sociaal-economisch bepaald idee was. In feite verwijt Marijnissen de PvdA datgene wat in de analyse van J.A.A. van Doorn – in zijn eveneens dit jaar verschenen en uiterst leerzame boek Duits socialisme. Het falen van de sociaal-democratie en de triomf van het nationalisme – het tekort was van de SPD tijdens de republiek van Weimar. Van Doorn vestigt terecht de aandacht op de verhouding tussen nationalisme en socialisme, al hoeft men hem niet te volgen in zijn stelling dat het Derde Rijk een socialistische samenleving was.

Dat de SPD faalde, en in een mum van tijd werd vernietigd, was volgens Van Doorn terug te voeren op één tekort: de partij kon Duitsland niet vinden. Zij was niet nationalistisch genoeg. „Haar socialisme was geen Duits socialisme. Daarom zou ze te gronde gaan aan de krachtmeting met een partij die voor het eerst bewees dat het socialisme geen splijtzwam hoefde te zijn, maar een unieke nationaal-bindende kracht vertegenwoordigde.”

Hiermee, voor alle duidelijkheid, beweer ik niet dat de SP vergelijkbaar is met de Duitse nationaal-socialisten. Maar wél moet het iemand met historische belangstelling te denken geven, wat de uitwerking is geweest van de vermenging van ‘gemeenschap’ met de nationale identiteit, al dan niet verkwanseld aan het kapitaal. Dat is brandbare stof, Jan.

Men vergelijke de uitspraken van Marijnissen over de uitverkoop van onze nationale identiteit, met het volgende pleidooi voor de bescherming „van het eeuwige fundament van ons leven: onze nationale identiteit” tegen „de praktijken van de gewetenloze geldwisselaars, afgewezen door de hoofden en de harten van de mensen”.

Zo gaat het verder: „Ze (de geldwisselaars) kennen alleen de regels van een generatie van egoïsten. Ze hebben geen visie, en zonder visie gaat het volk ten onder. De geldwisselaars zijn gevlucht van hun hoge zitplaatsen in de tempel van onze beschaving. Nu moeten wij die tempel weer terugschenken aan de klassieke waarden. De maatstaf voor dit herstel, wordt bepaald door de mate waarin we sociale waarden toepassen die nobeler zijn dan puur monetair profijt.”

Dixit: Adolf Hitler, toespraak bij de opening van de Rijksdag, 21 maart 1933.