De Kamer moet niet besturen

Eigenaardig debat. Namelijk het debat over de vraag of het parlement naast het materiële recht om een militaire missie als die naar Afghanistan goed- of af te keuren niet ook een formeel grondwettelijk recht daarop moet krijgen. Want zo’n formele bevoegdheid zou het kabinet dwingen vóór het besluit over zo’n missie, of de verlenging daarvan, eerst om uitdrukkelijke parlementaire toestemming te vragen. Nu zo’n verplichting ontbreekt komt het kabinetsbesluit van afgelopen vrijdag om de deelneming aan de missie-Uruzgan tot 2010 te verlengen erop neer „dat we weer voor twee jaar een oorlog in zijn gerommeld”.

Dat oordeel komt niet uit de oppositionele bankjes van de SP, GroenLinks of de PVV van Geert Wilders. Nee, het komt van de Nijmeegse hoogleraar Paul Bovend’Eert, die zaterdag in deze krant (pag. 2) daaraan toevoegde: „De Tweede Kamer wordt gewoon voor het blok gezet”. Het kabinet heeft niet meer dan een informatieplicht. „In de Tweede Kamer wordt dit uitgelegd als materieel instemmingsrecht, maar dat slaat nergens op”, aldus Bovend’Eert. „Al zegt de Tweede Kamer nee, dan nog kan het kabinet zijn besluit gewoon doorzetten”.

Volgens de Nijmeegse hoogleraar draait het bij dit soort militaire acties om de vraag wie, kabinet of parlement, uiteindelijk de definitieve beslissing neemt. Wat hem betreft moet dat in feite de Tweede Kamer zijn. Hij bepleit een grondwettelijk parlementair goedkeuringsrecht. Dat recht zou, vindt hij, het besluitvormingsdebat verscherpen, de Kamer meer invloed geven en een „gedeelde bevoegdheid” van Kamer en kabinet creëren.

Hij verwijst naar de Duitse grondwet, die in zo’n gedeelde bevoegdheid voorziet, al heeft dat vermoedelijk vooral te maken met de ervaringen van onze oosterburen in de eerste helft van de vorige eeuw. Interessant verschil is voorts dat Duitse ministers lid van de Bondsdag kunnen zijn, en dat vaak ook zijn. Bovendien kent de Bondsrepubliek, anders dan Nederland, een Constitutioneel Hof (in Karlsruhe) dat door de regering of door parlementaire groepen kan worden geraadpleegd (angerufen) voor een beslissend oordeel over de uitleg van de Grondwet in kwesties als deze.

Dat kan tot ingewikkelde processen voeren. Een kleine vijftien jaar geleden moest de toenmalige FDP-voorzitter Klaus Kinkel ‘Karlsruhe’ vragen of Duitse militairen volgens de Grondwet konden deelnemen aan VN-vredesmissies op de Balkan, dus buiten het NAVO-verdragsgebied. De regeringspartij FDP vond van niet. Maar Kinkel, ook minister van Buitenlandse Zaken, hoopte in die laatste hoedanigheid stilletjes dat hij als FDP-voorzitter ongelijk zou krijgen. Zoals gebeurde.

Eigenaardig debat over de positie van het parlement is het. Ja, het lijkt hier zelfs om de baard van de keizer te gaan. Immers, er is geen Nederlands kabinet te verzinnen dat tot militaire expedities van dit type besluit zonder de zekerheid van steun van een zo groot mogelijke parlementaire meerderheid. Op de weg naar een besluit wordt geregeld, en volgens in de afgelopen decennia vastgelegde regels, overlegd gevoerd en gedebatteerd met de vaste Kamercommissies. En geloof maar dat het kabinet wel uitkijkt om een uitzendingsbesluit te nemen wanneer het daarvoor onvoldoende steun in de Kamer dreigt te krijgen. Bovendien: in zo’n hoogstonwaarschijnlijk geval zou een Kamermeerderheid vervolgens toch nog het vertrouwen in het kabinet kunnen opzeggen?

Bovend’Eert is een van de bewerkers van Van Raaltes uit 1958 daterende handboek Het Nederlandse Parlement. Daarin wordt herinnerd aan een debat uit 1917 tussen de toenmalige minister-president Cort van der Linden, en de sociaal-democratische afgevaardigde Van Leeuwen. Deze Van Leeuwen had een motie aanvaard gekregen waarin de Tweede Kamer de regering regelmatig overleg over het buitenlands beleid vroeg via een vaste Kamercommissie voor buitenlandse zaken, een nieuwigheid. Reactie van Cort van der Linden: „Medezeggenschap leidt noodwendig tot een gedeelde verantwoordelijkheid en deze zou in strijd zijn met de grondwet [...]. Het systeem van onze grondwet is, dat er bij ons slechts drie machten zijn: de rechterlijke macht, de wetgevende macht en de bestuursmacht, en de laatste wordt uitgeoefend door de Koning alleen.” Dus: de regering regeert, de Kamer controleert. Die Kamercommissie kwam er toch, al bleken achtereenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken jegens haar tot 1940 „bijzonder weinig mededeelzaam, beducht als zij waren voor het meeregeren door het parlement”.

De tijd is voorbij dat allerlei Kamerleden in commissies zaten die adviezen gaven aan het kabinet dat zij vervolgens op zijn beleid moesten controleren. De tijd lijkt ook voorbij – trefwoord Srebrenica – dat een gepassioneerde Kamermeerderheid tegen de zin van Defensie in, een militaire actie vraagt die in een ramp eindigt. Ook wat dat betreft zou het goed zijn wanneer het parlement de rol van geïnformeerde controleur en medewetgever blijft verkiezen boven een tweeslachtige rol als beperkt verantwoordelijke medebestuurder.

J.M. Bik is medewerker van NRCHandelsblad.