Zingen voor een betere wereld

Op zijn nieuwe cd zingt Manu Chao over verschillende landen en misstanden.

„Reizen heb ik nodig om ideeën op te doen over mijn leven en werk.”

Manu Chao tijdens een optreden in Californië. Foto Reuters Manu Chao (L) and Radio Bemba Sound System perform at the Coachella Music Festival in Indio, California April 29, 2007. REUTERS/Mario Anzuoni (UNITED STATES) REUTERS

Manu Chao heeft het profiel van Che Guevara en de uitstraling van Jezus. De Frans-Spaanse zanger en bandleider is al 20 jaar een internationaal idool: om zijn muziek en om zijn humanistisch-activisme. Manu Chao vond eind jaren 80, met de band Mano Negra, de ‘mestizo’ uit, een mix van Spaanse, Caribische en Afrikaanse ritmes, aangevuld met opruiende zang en punky gitaren, die tot op de dag van vandaag zijn invloed heeft.

Sinds midden jaren 90 speelt Manu Chao onder zijn eigen naam. Steeds vaker worden zijn liedjes ingezet in de strijd om een betere wereld. Niet alleen inhoudelijk. Jose-Manuel Thomas Arthur Chao, roepnaam Manu, treedt vaak op voor de goede zaak: of het nu een ontruimd kraakpand is of een actie tijdens een G8-top, zoals in Genua in 2001.

Hij is ook een man met kleine, benige handen die hij vaak wringt, wrijft, of naar voren steekt om door denkbeeldige handboeien te laten omsluiten. „Muziek is mijn passie. Maar muziek is ook een tiran”, zegt hij. Hij lacht zijn smalle tanden bloot: „Ik heb voor niets anders tijd. Ik heb niet eens de tijd om alle muziek te maken die ik zou willen maken.”

Manu Chao (1961, Parijs) zit in een raamloos kantoor in de concertzaal in Keulen waar hij zal optreden. Hij duwt een bos tijm in een glas heet water en hoest. „We speelden in Kopenhagen op straat, op een protestmanifestatie”, zegt hij. „Nu ben ik een beetje hees.” Chao is met zijn band op tournee ter gelegenheid van de onlangs verschenen cd La Radiolina, die subtieler klinkt dan zijn eerdere twee cd’s. En nog altijd is Chao een muzikale veelvraat: als in een achtbaan voeren nummers als Tristeza Maleza en 13 Dias ons langs de achterbuurten van Barcelona, een barretje in Mali, een bruiloft op de Balkan.

„Ik was de afgelopen jaren in Parijs, Algerije, Mali, Mexico, Brazilië en Argentinië, en nog wat plaatsen”, zegt Chao. „Overal leer ik. Ik speel net zo lang met de plaatselijke muzikanten tot ze zeggen: ‘Manu, je bent een van ons’.” Zijn leergierigheid en maatschappelijke betrokkenheid gaan gelijk op: waar hij is, bekommert Chao zich om de behoeften van de bevolking.

Zo werkt hij nu aan een cd met muziek van psychiatrische patiënten van een met sluiting bedreigde inrichting in Argentinië. Een combinatie van „burgerplicht en muzikantenverantwoordelijkheid”, noemt hij dat. Komen die twee weleens in conflict? „Nee. Ik heb veel conflicten in mijn ziel, maar dit is daar niet een van.” Zijn handen trommelen op tafel. „Toen ik jong was voelde ik me vaak verloren. Nu gaat het beter. Ik weet wat ik kan en wat ik niet kan.” Chao trekt zijn schouders op. „Ik weet zo’n beetje wie Manu is.” Bevalt hij? Hij lacht: „Alles went.”

Maar onder alles woelt de onrust: het politieke onbehagen en een gevoel van ontworteld zijn. Manu Chao groeide op in een buitenwijk van Parijs, met een Baskische moeder en een vader uit Galicië. Nu woont hij in Barcelona, of beter: daar liggen z’n spullen. Want hij is meestal onderweg, naar Mexico, Argentinië, of Brazilië, waar zijn achtjarige zoon en diens moeder wonen. „Ik reis omdat ik niet anders kan”, zegt hij. „Ik moet steeds verder. Reizen heb ik nodig om ideeën op te doen over mijn leven en werk. Dat ontdekte ik al in 1987 toen ik voor het eerst in Zuid-Amerika was. De verschillende landen en de mensen daar inspireerden me.

„Zoiets vind ik ook in Afrika, in Mali. Ik had daar de cd geproduceerd van Amadou en Mariam, een echtpaar dat de blues zingt. Binnenkort ga ik er weer heen om de cd van hun zoon te produceren, die maakt hiphop. Ondertussen bestudeer ik de Malinese manier van gitaar spelen. Dat is pure trance. Als mensen denken aan trance, denken ze meestal aan drums en ritmes. Maar daar zijn het de gitaren.” Zijn ogen draaien weg. „Blididip, blididip, blidibip. Prachtig.”

Muziek opnemen doet hij ook on the road. „Dat is mijn studio.” Hij wijst naar een rugzak op de grond. „Een laptop en een microfoon, dat is alles. Ik werk niet zoals andere artiesten die een paar maanden bezig zijn aan een nieuwe cd, en dan is hij af. Ik ben altijd bezig met nieuwe nummers. Voor mijn laatste cd maakte ik het laatste liedje in mei; het eerste schreef ik twintig jaar geleden. Zo ontstaat er een voorraad nummers waar ik uit kan kiezen.”

Thuis, in Barcelona, werkt hij de demo’s uit. „Achter de computer, in mijn home studio, met een joint erbij. En maar schaven en schuiven, tot ik de juiste vorm heb gevonden. Ik ben een perfectionist, ik heb de neiging om in mijn computer te verdwijnen. Met het gevaar dat die cd nooit afkomt. Ik probeer wat minder perfectionistisch te zijn. Ik moet me bedenken dat mijn leven niet alleen uit de computer bestaat. Dat ik ook nog wil drinken in de bar, en mijn vrienden zien, en mijn buren leren kennen.”

Hij zingt in verschillende talen: meestal Spaans, maar ook Engels, Frans en Portugees. Maar van tevoren vraagt hij zich niet af welke taal het gaat worden. „De omgeving is mijn directe inspiratie, ik gebruik de taal van de plek waar ik op dat moment ben. De meeste liedjes zijn in het Spaans, omdat ik meestal in Spaanstalige landen ben. De laatste jaren was ik vaak in Brazilië, dus staat er op La Radiolina een Portugees nummer.”

Aan de vooravond van de G8-conventie in Genua in 2001, speelde Manu Chao op een grote protestbijeenkomst. Toen de demonstraties uit de hand liepen en er veel arrestaties werden gemaakt, wilde de politie met hem overleggen. Hij weigerde. Hij is geen woordvoerder, want, zoals hij zei, voor je het weet leggen ze cocaïne in je auto en word je gearresteerd. Zijn argwaan jegens de gevestigde politieke orde is in de liedjes terug te horen, zoals Raining In Paradise (over Congo, Palestina en Irak) en Tristeza Maleza (Infinita tristeza/ viento de Washington) van de nieuwste cd.

Dat hij zelf „toegang heeft tot de microfoon” geeft hem macht en verantwoordelijkheid, vindt hij. In het dagelijk leven sluit Chao zich aan bij het gedachtengoed van de antiglobalisten. Hij protesteert tegen de benaming: „Zo noemen de kranten ons, maar wij willen juist geen label. Zodra je een naam hebt, ben je makkelijk te manipuleren. We zien het zelf heel algemeen: we proberen een betere wereld achter te laten voor onze kinderen. Dat is het. Niet meer en niet minder.”

„Of ik teleurgesteld ben? Wel duizend keer. Deze wereld stelt mij steeds teleur. Amerika liet Allende vermoorden in Chili, en wie kreeg vervolgens de Nobelprijs voor de vrede? Henry Kissinger. Wie kreeg laatst de Nobelprijs voor de vrede? Al Gore. De volgende Nobelprijs? Die geven ze aan Mickey Mouse.”

De Franse punkband Las Wampas maakte vier jaar geleden een liedje over Manu Chao, met als strekking dat Chao wel schopt tegen de maatschappij, maar er ondertussen goed aan verdient. Hij knikt. „Inderdaad. Ik maak deel uit van het systeem. De enige manier om dat niet te doen, is je terugtrekken en zelfvoorzienend te worden: wonen op het platteland en je eigen tomaten en aardappelen kweken. Dan moet je geen geld gebruiken, niet naar de winkel gaan, niet reizen. Ik heb het geprobeerd. Ik ben ergens gaan wonen om me aan de gemeenschap te onttrekken. Ik hield het maar twee weken vol. Ik miste mijn vrienden en het gewoel. Voorlopig kan ik niet zonder het systeem.”

Muziek maken is een „therapie” om het leven aan te kunnen, zegt hij.

De cd La Radiolina is uitgebracht door Warner Music.