Vrienden

Of ik op de twintigste sterfdag van Simon Carmiggelt, afgelopen vrijdag, iets over hem wilde vertellen in de Openbare Bibliotheek Amsterdam? Ja, maar waar moest het over gaan? Want over Carmiggelt leek zo langzamerhand wel alles gezegd en geschreven.

Ik bladerde door allerlei boeken en documenten en opeens kwam ik dit citaat tegen, gedateerd 24 januari 1983 en afkomstig van Gerard Reve, uit het tv-programma De Alles is anders-show van Aad van den Heuvel. „Ik geloof niet dat hij over principiële dingen een mening heeft”, zei Reve over Carmiggelt. „Het is een soort teleurstelling dat een vriendschap afloopt met: ik heb me toch helemaal vergist. Ik doe mijn mond open en schreeuw en hang de dingen aan die ik beweerd heb.”

Hij had zich ‘helemaal vergist’. Die constatering moet Carmiggelt diep geraakt hebben. Reve zegde in feite de vriendschap op. Kort daarvoor had Reve in een berucht interview met Boudewijn Büch in Het Parool al allerlei denigrerende opmerkingen over Carmiggelt gemaakt, zoals: „Carmiggelt is een man die iedereen te vriend wil houden, die populair wil zijn tot elke prijs.”

Een jaar later verkocht Carmiggelt alle brieven die Reve hem had gestuurd voor 10.000 gulden aan Johan Polak. Wat was er in hemelsnaam tussen beide literaire grootheden gebeurd?

Frank Carmiggelt, de zoon, vertelde me ooit dat zijn vader geen idee had wat de oorzaak van de breuk was geweest. Ruim dertig jaar later, nu we alle feiten van die vriendschap beter kunnen overzien, kan ik maar tot één conclusie komen: het was een onvermijdelijke botsing tussen politieke gematigdheid (bij Carmiggelt) en politieke woede (bij Reve).

„Over de politiek moeten we het maar niet al te veel meer hebben”, schreef Reve in 1974 aan Carmiggelt. Dat was inderdaad beter geweest. Te vaak zijn Reve’s politieke uitspraken als ironie afgedaan, terwijl het hem bittere ernst was.

Carmiggelt was altijd een nogal lauwe PvdA-kiezer geweest. Reve leek in de eerste helft van de jaren zeventig steeds verder naar rechts, misschien zelfs extreem-rechts, te radicaliseren. Zij correspondeerden van 1971 tot 1975 met elkaar. Al in 1971 schrijft Reve zijn beruchte brief. waarin hij „die Surinaamse en Curaçaose en Antilliaanse troep (…) op de tjoeki tjoeki stoomboot (…) enkele reis Takki Takki Oerwoud” wil zetten. Daarna valt hij voortdurend de PvdA aan met zinnen als: „Dat is de partij van de Voetbal en van het gepeupel.”

Nog bedenkelijker moet het voor Carmiggelt zijn geworden, toen Reve herhaaldelijk om zijn bemiddeling vroeg bij de publicatie van zijn racistische gedicht Voor eigen erf met regels als: „O Nederland, ontwaak! Gooi al dat zwarte tuig er uit”. Jaren later zou Carmiggelt zeggen dat hij Reve publicatie had afgeraden: „Ik geloof niet dat-ie dat erg waardeerde.”

Reve moet zich steeds meer hebben geërgerd aan wat hij beschouwde als een slappe houding in politieke en sociale kwesties bij Carmiggelt. In 1975 gaven ze samen een lang interview aan Hollands Diep. Over tal van zaken en personen – van W.F. Hermans tot Den Uyl – blijken ze hartgrondig van mening te verschillen. „Onzin”, zegt Carmiggelt vaak.

In feite was de vriendschap, begonnen in de naoorlogse jaren bij Het Parool, toen al voorbij.

De meesters van de ironie hadden de ironie overboord gezet en bekeken elkaar niet meer.

De volledige tekst van de lezing over de vriendschap tussen Carmiggelt en Reve is te lezen op nrc.nl/dag.