Simpel gegeven, groot thema

Bij het maken van strafwerk ontdekte Elisabeth Eybers dat ze kon dichten. Dat bleef ze doen tot haar negentigste. Zaterdag overleed ze, 92 jaar oud.

Dichteres Elisabeth Eybers Foto Bert Nienhuis Elisabeth Eybers, auteur FOTO: Bert Nienhuis Nienhuis, Bert

Het begon allemaal met strafwerk. Lionel Bennet, leraar Engels in het Zuid-Afrikaanse dorpje Schweizer-Reneke, liet zijn klas bij wijze van strafwerk altijd een gedicht schrijven. Zo kwam het dat een van zijn leerlingen, Elisabeth Eybers, op veertienjarige leeftijd ontdekte dat ze kon dichten. Ze debuteerde jong, in 1936, met de bundel Belydenis in die skemering, drie jaar later gevolgd door Die stil avontuur. Intussen was ze letteren gaan studeren in Johannesburg. Daarna werkte ze een tijd als journalist. Ze trouwde, kreeg drie dochters en een zoon. Aan het eind van de jaren vijftig kwam het tot een echtscheiding. Eybers besloot in Amsterdam een nieuw leven te beginnen. Gemakkelijk ging dat niet. Er volgden jaren van verdriet, eenzaamheid en heimwee – in een tijd waarin er weinig waardering bestond voor Zuid-Afrika en het apartheidsregime.

Eybers bleef dichten, in het Afrikaans. Haar bundels bleven zowel in Zuid-Afrika als in Nederland verschijnen. In de loop der jaren begon ze bij de Nederlandse literatuur te horen, zoals blijkt uit de toekenning van de Herman Gorterprijs (1974), de Constantijn Huygensprijs (1978) en, na een speciaal voor haar gemaakte statutenwijziging, in 1991 de P.C. Hooftprijs. Ze was toen 75 jaar oud. Haar Versamelde gedigte verschenen, 600 verzen in totaal. Zij zal zelf ook niet hebben gedacht dat er nog zes bundels zouden volgen, met nog eens 250 verzen. Tot haar negentigste is Eybers blijven dichten. Zaterdag is ze overleden, 92 jaar oud.

Eybers moet het als dichter hebben van een aanleiding, liefst in de directe omgeving. Dat kan een zonsondergang zijn, een bezoek aan de dokter of een ‘besoek uit die eter’. Een ‘onzelieveheersbeestje’ landt op haar hand, ‘vyf gitswart stippels op sy rug’. Verbaasd kan zij toekijken hoe het beestje zijn weg zoekt door ‘die dor kneukelland’ van haar hand, en hoe hij ‘ontsluit sy gladgelakte dop / en steek sy gaasdun vlerkies op.’ En dan kan ze laconiek besluiten: ‘ek kan nie sy oorwegings lees / en hoop hy weet waar hij moet wees.’ Het belangrijkste staat er niet bij: de vrees dat dit beestje uit de ether inderdaad een ‘diertjie van ons liewe Heer’ is, een beestje met een boodschap - een doodaanzegger.

Simpel gegeven, groot thema. Zo gaat het bijna altijd bij Eybers. Je kan haar poëzie vergelijken met die van een hobbydichter. Maar op grond van haar snelle verbindingen, haar voorkeur voor spitsvondige formuleringen, haar spel met paradoxen en puntige regels heeft ze vaak ook wel iets van een maniërist – uit de school van Huygens, of Donne, bijvoorbeeld. Geestig, ironisch, vol onverwachte wendingen en zelfspot. Uit haar allerlaatste bundel is deze laconieke verzuchting over de problemen van de slapeloosheid: ‘ag wat ’n taak / om bewusteloos te raak’. Het is humoristisch en schrijnend tegelijk. Er ligt duidelijk veel leed ten grondslag aan de gedichten van Eybers, maar voor haar is de kunst erin gelegen er een scherpe, verrassende, liefst lichte formulering voor te vinden.

Ik geloof niet dat er één in alle opzichten representatief gedicht van Elisabeth Eybers is. Dat past ook wel bij een dichteres die onbevangen en verwonderd door dichtte, van dag tot dag en van gedicht tot gedicht, van jong schoolmeisje tot 92-jarige dame, zonder ingewikkelde reeksideeën of bundelplannen. Ik blader door haar verzamelde gedichten en stuit op een gedicht over de maan, zoals altijd met liefde beschreven. Een bron van dromen, en van troost, zo noemt ze hem. Altijd keek hij, de maan, toe vanuit ‘sy astrale kraaines’, zijn kraaiennest tussen de sterren. En Eybers vertelt dan hoe ze als kind in Zuid-Afrika acht maanden per jaar buiten kon slapen, en zo een goed zicht had op de maan. Toen hoefde de blanke schijf zich nog niet te schamen, toen had ‘niemand nog die dogma uitgevind / waarvoor die vaal-van-vel vandaag moet bloos’. Dat moet wel een toespeling zijn op de apartheid, waarvoor alle blanken zich moeten schamen.

De maan is bezoedeld geraakt – en hij is hier, in het bewolkte Nederland, ook niet goed meer te zien. Maar gelukkig is er voor de ontheemde dichteres altijd een andere maan beschikbaar. Kijk maar, verrassend beeld, naar het kleine maantje dat er altijd is – ‘bo die horison van my duimnael’, boven de horizon van mijn duimnagel. Dat kleine nagelmaantje moet het gemis goedmaken en de herinnering levend houden aan de tijd van voor de afstomping, toen er nog geen apartheid bestond.

Typisch Eybers, deze verbinding tussen het grote en het kleine, heimwee en politiek besef, Holland en Zuid-Afrika, gevangen in een haast kinderlijk beeld: in onze duim reist altijd een gave troostmaan mee. Dit soort vondsten zullen we nu moeten missen. De stem van Eybers klinkt niet meer. Ook voor haar zou eens het einde komen, wist zij, maar nog in haar jongste bundel ging ze er vanuit dat ze ook daarvoor wel niet geschikt zou zijn: ‘Selfs vir die slot volkome ongeskik.’