Proper, helder en ordentelijk, Hell Yes!

Dit weekeinde opende het New Museum in New York, in een speciaal ontworpen pand.

De 32-jarige Nederlander Florian Idenburg is de uitvoerend architect.

Nog geen twee jaar geleden was het een parkeerplaats aan een groezelige straat in zuidelijk Manhattan, waar daklozen hun tijd uitzaten en tientallen groothandelaren in keukenapparatuur het naburige Chinatown bedienden.

De daklozen en de keukenboeren zijn er nog steeds. Maar op de parkeerplaats aan de straat Bowery glinstert nu het metaalgaas van het New Museum of Contemporary Art. De buurt is onverminderd grauw, op de pui van het museum staat nu in metershoge regenboogkleuren ‘HELL, YES!’.

De bijna honderd New Yorkse musea renoveren onophoudelijk. Maar een pand van de grond af opbouwen is al jaren – niemand durft een exact aantal te noemen – niet meer voorgekomen. Laat staan dat een 32-jarige Nederlander namens nota bene een Japans architectenbureau de titel chief project architect draagt en daarmee eindverantwoordelijke voor de bouw is.

Het pand kostte 50 miljoen dollar (34 miljoen euro), heeft 5.600 vierkante meter aan tentoonstellingsruimte en opende dit weekeinde de glazen deuren. Daarmee kon Florian Idenburg zijn zogenoemde „terroristencel” opheffen. Zo schetst hij grappend zijn situatie: hij helemaal alleen in New York, het kantoor in Tokio. Niet langer komen in zijn bescheiden appartement de verzoeken van zijn mede-architecten uit Tokio en de wensen van de opdrachtgevers uit New York samen. Idenburgs voornaamste wapentuig van de afgelopen twee jaar (telefoon, laptop, webcam) kan weer even in de kast.

Voor een pand dat zo wanordelijk en ad hoc tot stand is gekomen, doet het ontwerp opgeruimd aan. De grote overzichtelijke metaalvlakken glimmen in het daglicht en binnen is het er proper, helder, ordentelijk. Dat was precies de bedoeling, vertelt de architect voorafgaand aan de opening in de cafetaria op de begane grond. Hedendaagse kunstuitingen vragen volgens Idenburg om beschikbare ruimte, zonder belemmeringen van scheidingswanden en laaghangende verlichting. Daarom heeft het Japanse architectenbureau Sanaa waarvoor hij werkt een opeenstapeling van blokken ontworpen die samen 53 meter de lucht insteken. De ruimtes binnenin zijn kaal, vrij van de constructie-ondersteunende pilaren. In de kelder is een theater.

Het kantoor Sanaa is in Nederland bekend als de ontwerper van de Schouwburg in Almere, begin dit jaar geopend. Idenburgs rol bij Sanaa begon al eerder. Toen Nederlandse architectuur eind jaren 90 populair werd, besloot Idenburg na zijn studie in Delft juist het land te verlaten. In Nederland blijven, leek hem te makkelijk. Hij studeerde Japans en werd in Tokio een van de eerste buitenlanders bij Sanaa.

In 2003 werd de opdracht voor het nu dertig jaar oude New Museum voor hedendaagse kunst binnengesleept zonder dat Sanaa vertegenwoordiging had in de VS. En Idenburg mocht als een van de architecten die had meegewerkt aan het ontwerp opnieuw zijn koffers pakken.

Hij wist dat het bouwen in New York gecompliceerd zou worden. De bouwsector in de stad is volgens Idenburg berucht om – en daar gaan we – „lamlendigheid, haastige bouwvakkers, irritatie over complexe voorstellen en dat geld het altijd wint van kwaliteit”. Dat alles terwijl het Japanse ontwerp juist zo gedetailleerd was, met aandacht voor hoogwaardige materialen. Waar Amerikanen de infrastructuur van een gebouw – kabels, staal, airconditioning – het liefst wegstoppen achter een witte muur, wilde Sanaa het juist geordend zichtbaar maken.

Dat moest wel gaan botsen en die vrees werd bewaarheid. Een voorbeeld. Idenburg vroeg een van de bouwvakkers een proefmonster te laten zien van het brandwerende materiaal waarmee hij het plafond zou inspuiten. Bouwvakker boos, je weet toch hoe dat eruit ziet? Wit en dik. Bouwvakker haalt uit en spuit Idenburgs schoenen onder. Zo ongeveer ziet het eruit. Idenburgs reactie, onderkoeld: „Monster afgekeurd.” Later vatte een aannemer de problemen samen voor de bouwheer: „Je probeert een groep gorilla’s een piano te laten bouwen.”

Ook ging het ontwerp tegen de New Yorkse gewoonte in door in de hoogte minder ruimte te gebruiken dan is toegestaan. In plaats daarvan besloten de architecten de verdiepingen ten opzichte van elkaar te laten inspringen – anders zou het zo’n doos worden. Bijkomend voordeel was dat het gebrek aan daglicht (er zijn nauwelijks ramen) deels opgeheven kon worden: de uitstekende randen zijn transparant en verlichten binnen de kale muren.

De architecten namen nog een risico: het pand moest een openbaar karakter krijgen. Over de breedte van de hele begane grond is de façade van vloer tot plafond van glas en de lobby vrij toegankelijk. Een toegangskaartje is niet nodig om daar rond te lopen, de museumwinkel te bezoeken en in de cafetaria te hangen. Dat kan aantrekkelijk zijn voor bewoners van het pand aan de linkerkant van het museum waar minderbedeelden een armoedig kamertje kunnen huren of voor de daklozen die rechts van het museum zo nu en dan een slaapplaats bij een opvang kunnen vinden. „We zijn wel een beetje bang voor alle zwervers hier”, zegt Idenburg. Om de grootste overlast te voorkomen werden de wc’s op de begane grond geschrapt. „We zouden niet willen dat hier iemand wordt verkracht.”

De organisatie koos nadrukkelijk voor deze locatie aan de straat Bowery en niet voor de fameuze Museum Mile, waar gerenommeerde kunstpaleizen als het Guggenheim of het Metropolitan Museum al decennialang staan. En het is ook niet zonder reden dat het balkon niet uitkijkt op het gevestigde Midtown. De blik is naar het zuiden gericht, naar de alternatievere East Village, richting het oprukkende Chinatown.

Nu het eerste weekeinde erop zit, vindt Idenburg het mooi geweest. Hij heeft ontslag genomen bij Sanaa, gaat lesgeven aan Harvard University en begint zijn eigen architectenbureau. In New York.

Meer beelden en links zijn te vinden op nrc.nl/newyork. Zie ook: www.newmuseum.org