Pakjesavond... Piet heeft niet getankt

Kunstredacteur Wilfred Takken is ervaren hulppiet.

„We staan met de auto op de snelweg zonder benzine, en in het land wachten tientallen kinderen op onze komst.”

De vroege schemering van de decembermiddag kleurt alles rozegrijs, maar de zwaaiende man op de vluchtstrook, met zijn mantel en mijter, steekt toch duidelijk rood af tegen het achterliggende braakland. De passerende automobilisten zwaaien vrolijk terug, maar niemand stopt voor Sinterklaas.

Ik ben Zwarte Piet en ik voel mij beroerd. Uitgerekend op sinterklaasavond ben ik vergeten te tanken. En, nee, ik heb ook geen geld bij me. Een pietenpak heeft geen zakken. Nu staan we met de auto langs de snelweg zonder benzine, en in het land wachten tientallen kinderen op onze komst. Gelukkig heb ik een Sinterklaas bij me met een onverwoestbaar humeur. En een mobiele telefoon.

In Amsterdam zit vader Bernard te wachten met zijn familie: zijn broers met vrouwen en kinderen. Negen kinderen. Alle pakjes liggen klaar op de gang, en Sinterklaas komt tussen half vijf en vijf uur. Zo heeft hij beloofd. De kinderen zijn al een half uur sinterklaasliedjes aan het zingen. Bernard moedigt de kinderen aan: „Jongens, nog wat harder zingen. Dan komt de Sint vast sneller”.

Langs de snelweg bel ik met de Wegenwacht. Mevrouw Pieterman neemt op, maar daar ziet ze zelf de grap niet van in. Ik geef netjes het wegnummer en de kilometerpaal op, maar volgens haar bestaat die plek niet. Door op een nieuwe verbindingsweg nabij Hoofddorp pech te krijgen, zijn we van de ANWB-radar verdwenen. Wij bestaan niet. Althans niet voor mevrouw Pieterman, die zich begint op te winden als ik volhard in het noemen van onze fictieve Weg-is-weg.

Indien de Wegenwacht ons vindt, zo belooft ze, zal hij ons naar een benzinestation slepen, waar we zelf kunnen tanken. Als ik opbiecht dat ik geen geld bij me heb, en vraag of de Wegenwacht ons misschien een paar liter benzine kan lenen, wordt ze kwaad: „Meneer, we zijn Sinterklaas niet!”.

In Amsterdam probeert Bernard met Sinterklaas te bellen, maar hij krijgt hem niet te pakken. Via een andere wachtende hoort hij dat Sint en Piet zonder benzine langs de weg staan. Bernard meldt aan zijn familie dat Sint pas om half acht kan komen.

Half zeven. Leunend tegen de vangrail belt Sint met de wachtende ouders. Maar hij is niet zo goed in slechtnieuwsgesprekken. In plaats van te zeggen: „Dat kan dus nog wel een paar uur duren, en misschien komen we wel helemaal niet”, roept hij steeds opgewekt: „We komen eraan, hoor!”. Bovendien heeft hij aan iedereen beloofd „tussen half vijf en vijf” te komen. Zelfs mét benzine was dat niet gelukt.

Half acht. Bij Bernard thuis zijn de kinderen aan een tweede zangronde begonnen. Sinterklaas belt. Hij komt wat later. Bernard: „Wat later? Man, je bent al drie uur te laat! De kinderen zijn in alle staten. Heb jij weleens geprobeerd om negen kinderen drie uur lang onder controle te houden?” Ja, dat heeft Sinterklaas weleens geprobeerd.

Langs de snelweg zijn wij inmiddels de wanhoop nabij. Daar komt mevrouw Zwarte Piet aangereden in de auto van haar ouders. Ze is boos op mij, want dit is niet de eerste keer dat ze de steken moet ophalen die ik laat vallen. Ze heeft geld bij zich, en een jerrycan benzine. Maar onze auto heeft zolang met lichten aan staan knipperen, dat de accu leeg is.

Rond half negen is Bernards broer rood aangelopen, en dit keer niet alleen van de bisschopswijn: „Als Bernard iets organiseert, wordt het altijd een puinhoop. We gaan!” Hij verzamelt zijn familie, en loopt de deur uit: „Dit is de laatste keer. Wij vieren nooit meer Sinterklaas met jou.” Bernard besluit de overgebleven kinderen uit hun lijden te verlossen: „Jongens, Sinterklaas komt niet meer. Hij heeft het te druk.” Aangeslagen beginnen de kinderen aan het uitpakken van de cadeaus. Bernards oudste zoon Bela huilt: „Maar waarom dan? Houdt hij niet meer van ons?”

Op de vluchtstrook verricht mevrouw Zwarte Piet een heldendaad: ze geeft ons de andere auto, en gaat zelf in de lege auto zitten, wachtend op de Wegenwacht die ons nog steeds niet heeft gevonden. „Ik doe het niet voor jullie – want jullie zijn lapzwansen – maar voor de kinderen”, bijt ze ons ter afscheid toe. Zo laten we haar achter. We kunnen eindelijk op weg naar de wachtende kinderen.

Negen uur. De telefoon gaat bij Bernard. Het is Sinterklaas weer: „Dit keer komen we er écht aan.” IJzig staat Bernard hem te woord: „Het hoeft niet meer. Iedereen is al weg. We zitten net aan de boerenkool. Kom volgend jaar maar weer. Of weet je wat. Kom maar helemaal niet meer. We doen de pakjes voortaan wel met Kerst.”