Musici dromen in Jeruzalem en Midden-Oosten

Concerten: Ahl Fas, Huelgas Ensemble o.l.v. Paul van Nevel, Groot Omroepkoor en Schönberg Ensemble o.l.v. Simon Halsey. Gehoord: 1/12 Concertgebouw, Amsterdam. Nieuw Ensemble o.l.v. Arie van Beek. Gehoord 2/12 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Radio 4: 4/12 20 uur (concerten 1/12), opname voor latere uitzending (concert 2/12).

Eén stad, twee volken, drie religies. Zo vat iemand in Willy Lindwers documentaire De Tempelberg is van mij het probleem van Jeruzalem samen. De weinig hoopgevende film werd vertoond in de foyers van het Concertgebouw tijdens een Jeruzalem-marathon. Als een gecombineerde joods-christelijk-islamitische traditie ergens onmogelijk lijkt, is het wel in Jeruzalem, dat voor zoveel mensen op zoveel verschillende manieren heilig is.

Musici mogen echter graag dromen en muzikale initiatieven tot verbroedering zijn er dan ook vele – zie bijvoorbeeld het ‘West-Eastern Divan Orchestra’ van Daniel Barenboim, samengesteld uit joodse en Arabische musici. Dat orkest heeft echter wel een vrij exclusief westers klassiek repertoire.

De Libanese componist Zad Moultaka (1967) doet in Our, geschreven in opdracht van de ZaterdagMatinee, een poging tot meer inhoudelijke integratie. Het is een groots opgezet werk voor koor en ensemble, vol woede, geweld en verslagenheid, met soms een minuscuul lichtstraaltje, bijvoorbeeld in een Pärt-achtige zetting van Psalm 2, boven vervreemdend gefluister.

Een opvallende paradox ontstond doordat Moultaka naast Bijbelteksten en nieuwe poëzie (het weinig optimistische The Arab Apocalypse van dichteres Etel Adnan) ook een Korantekst gebruikte – uitsluitend op papier, want de Koran mag niet zomaar gezongen worden. Tussen klanken die steeds dreunender en dreigender worden, doet het koor er in dit deel dus nadrukkelijk het zwijgen toe. De stille weeklachten van een sopraan en een fluit die erop volgen, worden er des te aangrijpender door.

Helaas zat het Marokkaanse ensemble Ahl Fas, dat aan het begin van de marathon een optreden met klassieke Arabo-Andalusische muziek gaf, tijdens de uitvoering van dit werk waarschijnlijk alweer in het vliegtuig terug. Het zou interessant zijn geweest ook deze musici, die op hun eigen terrein duidelijk tot de top behoren, in een muzikale dialoog te betrekken.

Het Nieuw Ensemble ging – een dag later – in dat opzicht een stap verder. Artistiek leider Joël Bons reisde naar Syrië en Iran, en dook daar musici en componisten op voor een bijzonder geslaagd programma met zijn ensemble. Politiek leek hier – ook omdat het om zuiver instrumentale werken ging – een stuk verder weg. Muzikaal waren alle schakeringen vertegenwoordigd tussen volstrekt traditioneel Perzisch (Ibrahim Aryans Samai bayati, een ouder werk) en volledig verwesterd (Deewaan van Rasheed Al-Bougaily (1971), die hoorbaar bij kleurcomponist Willem Jeths studeerde).

Erg sterk was Kava van de Iraanse componist Kiawash SahebNassagh. De fragiel klinkende ‘setar’, een soort luit, werd met behoud van karakter opgenomen in een Webern-achtig versnipperde context. Het is ergens nog wel Arabisch, maar met als westerse inbreng het vermogen tot ontleding om geijkte vormen te ontstijgen, soms ook door bewuste vervreemding.

Zo ontstaat er iets echt nieuws, dat in elk geval muzikaal, maar wie weet ook politiek, hoop biedt voor de toekomst.