Burgers zijn apathisch, en dat is crisis

Het is te vroeg om de conclusie te trekken dat de kloof tussen overheid en burger is gedicht en dat de crisis voorbij is. Het zit niet goed met onze democratie, meent Jan Rietman.

Geruststellende woorden van twee mensen die het weten kunnen. Mark Bovens en Anchrit Wille stellen in de bijlage Opinie & Debat van afgelopen zaterdag dat het vertrouwen in de overheid terug is en dat het grondpatroon van de politiek opmerkelijk stabiel genoemd mag worden. Het zit dus wel goed met onze democratie, lijkt de boodschap.

Beide wetenschappers baseren zich op grafieken van opinieonderzoek. Er wordt daarin vaak gevraagd naar gevoel, soms met voorbijgaan van een oordeel over de feiten. Als we echter kijken naar de staat van de vertegenwoordigende democratie en het vertrouwen in het optreden van overheidsinstanties, zal mogelijk een ander beeld verschijnen dan dat van Bovens en Wille.

Democratie bestaat bij de gratie van participatie. De afgelopen jaren is die gedaald. De curves van de opkomstcijfers voor de Tweede Kamerverkiezingen laten tussen 1970 en 2006 een licht dalende tendens zien, met cijfers die zich tussen de 88 en 73 procent bewegen. Bij de bestuurslaag die het dichtst bij burgers zou liggen, de gemeenteraad, is sprake van een fors dalende tendens. Tussen 1970 en 2006 bewogen de opkomstcijfers zich van bijna 74 procent naar een kleine 60 procent. Voor de verkiezingen voor Provinciale Staten en het Europese parlement blijft de opkomst ver onder de 50 procent.

De vraag is welk mandaat er dan wordt gegeven, op basis van welk democratisch proces. In feite is dat een legitimiteitsvraag. Nu ook de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen richting 50 procent of minder gaat (bij extrapolatie zitten we daar in 2014 onder) en de invoering van het dualisme in de lokale democratie als verlevendigingsconcept blijkbaar (nog) niet werkt, is er toch op zijn minst reden voor ongerustheid over de participatie van de burger. Bezorgdheid die wordt gedeeld door onder meer de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, zo blijkt uit de publicatie van enkele weken geleden onder de titel Vormen van democratie.

Roel in ’t Veld wil de participatie bevorderen door onze representatieve democratie aan te vullen met internetdemocratie (Opinie & Debat, 24 november). Het standpunt dat dat niet goed zou zijn omdat slechts een deel van de kiesgerechtigden gebruik maken van internet, houdt slechts kort stand. Immers, in het verleden werden telefonische enquêtes niet geldig geacht, omdat niet iedereen telefoon had of kon gebruiken. Sneller dan verwacht bleek dat geen goed argument meer, omdat vervolgens vrijwel iedereen telefoon had. Zo zal het vermoedelijk met internet ook gaan.

De vraag is echter of burgers via internet politiek willen participeren. Alom wordt internet aangeprezen als een medium dat interactief en participatief is. Toch blijkt uit een bestudering van de onderwerpen waarop wordt geparticipeerd dat het veel gaat om plezier, emotie, beleving, amusement en veel minder om onderwerpen met een hoog informatief gehalte.

Uit de grafieken bij het artikel van Bovens en Wille blijkt dat het vertrouwen in de overheid en de regering wel is toegenomen, maar dat het vertrouwen in politieke partijen weer wat afneemt. Politieke partijen hebben zich door de jaren heen nooit mogen koesteren in veel vertrouwen van burgers. Toch zijn politieke partijen de leveranciers van politieke functionarissen. Daar lijkt dus wat te wringen. Zijn de politieke functionarissen dan wellicht wat minder te vertrouwen, maar wordt dat (deels) goedgemaakt door een toegenomen vertrouwen in ambtenaren, die misschien meer de verpersoonlijking van de overheid zijn ?

Vraagtekens levert ook de grafiek op die het consumentenvertrouwen en het vertrouwen in de democratie als één curve weergeeft. Het lijken me twee begrippen met ieder hun eigen dynamiek, dus op zijn minst twee curves waard. Als die dan sporen en eenzelfde trend vertonen, krijgen Bovens en Wille een (beetje) gelijk.

Op het punt van het vertrouwen in overheidsinstanties is nader onderzoek gerechtvaardigd. Deze krant schreef onlangs uitvoerig over grote problemen bij de belastingdienst en de spoorwegen. En is er niet al heel veel gepubliceerd over het onvermogen van de IND om tot menswaardige, rechtvaardige en ook efficiënte prestaties te komen? Zijn er niet talloze verhalen opgetekend van mensen die, ook bij de overheid verdwalen in een anoniem systeem van doorkiesnummers, nietszeggende no-reply-mails en internetadressen waarop geen fysiek adres of verantwoordelijke meer zichtbaar wordt? Zulke ervaringen zijn nog niet via een breed opgezet onderzoek gebundeld, maar uit zo’n onderzoek zou wel eens het beeld van een te wantrouwen overheid kunnen voortkomen.

Het is te vroeg om de conclusie te trekken dat de kloof tussen overheid en burger is gedicht en de crisis dus voorbij is. Er zijn, sterker nog, tekenen dat burgers apathisch worden omdat ‘er toch niets verandert’. Zoals je op een perron bij de zoveelste aankondiging van vertraging of uitval mensen hooguit nog binnensmonds hoort protesteren, voor lief nemend dat ze over een half uurtje wellicht wel in een overvolle trein verder kunnen. Als dergelijke tekenen van apathie ook met betrekking tot de politiek en het functioneren van de overheid zijn waar te nemen – en dat zijn ze, is mijn inschatting – is de democratie wel in het geding. En dat is crisis.

Jan Rietman is docent School of Media, Hogeschool Windesheim Zwolle, en promovendus bestuurskunde.

Lees de stukken van Bovens en Wille en het interview met In ’t Veld op nrc.nl/opinie