Wie zegt wat

Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door haar leerlingen. Vandaag de ‘impliciete bewering’.

Ferdinand en ik kruisen de degens al wekenlang zo sierlijk dat niemand in de klas onze strijd opmerkt. Maar vandaag heeft hij een nieuw wapen meegenomen.

Ik wend mijn blik af en wil de les beginnen. Maar Ferdinand heft een bezwerende hand. „Nicolien, ik begrijp nog steeds niet wat je bedoelt met die impliciete mededeling. Is dat niet gewoon het thema?”

Dit is een zoveelste poging de regel van de „impliciete mededeling” lek te steken. Ferdinand is oud-hoogleraar wetenschapsfilosofie, hij heeft een grijs baardje en een onstilbare lust tot tegenspreken. „In een verhaal verstrijkt tijd”, zeg ik. „Je gaat van A naar B, van begin naar eind. En in die tijd gebéúrt er iets, er vindt een verandering plaats, anders heb je geen verhaal. Kijk naar je begin en je einde en zet het af tegen de formule ‘A leidt tot B’. Dan zie je wat de bewering is. Stel dat jij als thema vrouwenonderdrukking kiest. Je beschrijft hoe een meisje, tegen de wens van haar ouders, een baantje zoekt in de grote stad. Ze wordt ruw verkracht door haar baas, vindt nergens steun, en keert terug naar haar dorp. Wat maakt de lezer daaruit op? ‘Ongehoorzaamheid leidt tot ellende’. Dat is misschien niet wat jij ons als schrijver duidelijk wil maken, maar dat staat er wel. Dus kijk uit waar je begint en waar je eindigt, want dat bepaalt de bewering van je verhaal.”

Maar Ferdinand luistert niet. Met een triomfantelijke blik steekt hij zijn geheime wapen in de lucht en vraagt: „En wat beweer jij hier dan?” Daar hangt mijn laatste boek, naakt in de handen van de vijand. Ik ben direct weerloos. „Volgens mij zitten er wel hónderd impliciete beweringen in dit boek”, zegt Ferdinand. „Bijvoorbeeld: ware liefde is niet van deze wereld.” Hij zwiept mijn boreling over tafel. Adinda vangt het op. „O dát boek! Met die zwaan erop. Dat vond ik je mooiste, Nicolien. Aan het eind moest ik huilen.”

„Ik ook”, zegt Wendy. Ze neemt het van Adinda over, kijkt ernaar en geeft het door aan haar buurvrouw. Daar gaat mijn zwaan, gedragen door vrouwenhanden, verder en verder van Ferdinand vandaan.

Ik raap mezelf weer bij elkaar en zeg: „Zelfbevrijding leidt tot de dood.”

„Zelfbevrijding leidt tot de dood”, schampert Ferdinand. „Maar dat is gewoon onzin!”

„In het verhaal!” roep ik. „In het verhaal is dat zo! Ik, Nicolien, beweer dat niet! Ik stond er zelf ook van te kijken. Tijdens het schrijven nam het verhaal een onverwachte wending. De goeie ging dood en de slechterik bleef leven. Het duurde even voordat ik begreep aan welke bewering mijn verhaal eigenlijk hing. Toen heb ik het daarop herschreven en afgemaakt.”

„Misschien werkt het als je erin gelooft”, zegt Ferdinand.

„Het is gewoon een technisch hulpmiddel!” roep ik. „De elektricien hoeft toch ook niet in de aardlekschakelaar te geloven om de keukenlamp te laten branden!”

Mijn zwaan is aan het einde van de rij gekomen en begint aan de weg terug.

Ferdinand kijkt broedend. „We zijn ontegenzeggelijk beter gaan schrijven de laatste weken. Maar ik vraag me af of dat door jouw regels komt. In het echte leven is het allemaal niet zo helder en afgebakend. De mensen zeggen het een en doen het ander. Maar dat staat blijkbaar zo ver af van jouw wezen, dat je dat niet ziet.”

Eerst valt hij mijn werk aan, en nu mijn wezen. Mijn boek is bij Ferdinand terug. „Ik wilde je vragen om het te signeren” zegt hij. En met een lachje: „Dan wordt het nog wat waard.”