WEEGEE

Dronkelappen, gevallen vrouwen en lijken, heel veel lijken. De Amerikaanse persfotograaf Weegee werd wereldberoemd met zijn foto’s van de New Yorkse zelfkant. Na zeventig jaar is zijn manier van kijken nog steeds actueel, zoals blijkt uit een tentoonstelling in Foam Fotografiemuseum Amsterdam.

Arthur Fellig was een romanticus van de robuuste soort. Vanaf het midden van de jaren dertig struinde deze kleine man met uitpuilende ogen iedere nacht door de straten van New York, camera met groot flitslicht in de aanslag, op zoek naar de plekken die anderen op dat tijdstip liever meden – de donkere steegjes met de smerige vuilnisbakken en de mistomcirkelde lampen. Daar zocht hij de romantiek van de goot: de dronkelappen, de slachtoffers, de misdadigers, de gevallen vrouwen, die hij, door gekluisterd te leven aan de scanner, vaak sneller vond dan de politie. Veelzeggend is de foto van een man die net ontdekt heeft dat er brand is in zijn appartement, zijn kleren bij elkaar heeft gegraaid en in onderbroek de trap afvlucht – waar Fellig al op hem staat te wachten om hem vast te leggen.

Die snelheid gaf Arthur Fellig al snel een roemruchte reputatie. Aan het begin van de jaren veertig begon hij zichzelf Weegee te noemen, een verbastering van het woord Ouija, naar het letterplankje dat wordt gebruikt bij spiritistische sessies. Daarmee gaf hij aan dat hij het kwaad als het ware voorvoelde, als een insider van de duisternis, en dat opdrachtgevers hem dus moesten hebben als ze het ware beeld van de zelfkant wilden tonen. Door die naam, door dat imago, door die onderwerpen maakte Weegee van zichzelf een personage in een maffiafilm die nog bedacht moest worden.

Het klopte perfect: zijn eigen genadeloosheid, de rauwheid van zijn foto’s, de stoerheid, de sarcastische humor. En niet te vergeten: de lijken. Heel veel lijken.

Want laten we er niet omheen draaien: de reden dat Weegee nog steeds zo beroemd is, zijn zijn lijkenfoto’s. Daarvan zijn er ook vanaf 14 december in het Foam Fotografiemuseum Amsterdam weer veel te zien. Wie ze achter elkaar bekijkt ziet meteen wat ze intrigerend maakt: Weegee toont op deze foto’s de bodem van de menselijke moraal.

Straatmoord

Dat begint al met het onderwerp. Weegee’s lijken zijn steevast het slachtoffer van de meest meedogenloze vorm van levensbeëindiging: de straatmoord. Hun dood kwam onaangekondigd, ze hebben geen afscheid kunnen nemen van geliefden, maar zijn in koelen bloede neergeknald. Nu liggen ze op de stenen, op het plaveisel, onder de cafétafel, van alle menselijke waardigheid ontdaan. Dat is voor de toeschouwer op zich al een pijnlijke sensatie, maar Weegee zet die nog eens aan door wellustig te strooien met details: een weggerolde hoed, een machteloos pistool een meter verderop, de opgestapelde caféstoelen, de hond die erbij staat en zijn tong omhoog krult.

Een typische Weegee-foto, in dat opzicht, is Corpse with glasses (zie onder), vermoedelijk gemaakt aan het begin van de jaren veertig.

We zien een detail van een man die in z’n laatste seconden recht naar voren is gevallen. Nu ligt het hoofd op de stoep, de mond hangt wijd open boven het plaveisel, alsof de overledene de laatste adem uit de stoeptegels probeerde te zuigen. Tussen die mond en het steen trekt het bloed een dun, glinsterend lijntje. Je ziet dat hij het ventilatierooster net heeft gemist, en de ernst van de situatie wordt gerelativeerd door het koddige witte brilmontuur van de dode en zijn vetkuif die nu als een vervallen kwast voor hem uit priemt.

Het is vreselijk, maar je kunt je ogen er niet vanaf houden. Al helemaal niet als je even later ziet dat Weegee hetzelfde lijk ook nog van een andere kant heeft gefotografeerd, van grotere afstand, met nog meer bloed. Hij heeft er als een hongerige hond omheen lopen draaien. Wij draaien met hem mee.

Violist

Het opmerkelijke aan Weegee’s oeuvre is achteraf gezien niet dat het gemaakt werd, maar dat het nu wordt getoond in een museum – en dat musea zijn werk al decennia lang tonen. Zelf zag Weegee zijn werk absoluut niet als kunst, voor hem was het eerder een vorm van overleven, zijn eigen manier om de strijd om het bestaan te beheersen.

Fellig werd in 1899 geboren in Zloczew, een plaats die toen nog tot Oostenrijk werd gerekend, maar tegenwoordig bij Polen hoort. Zijn vader vertrok al snel naar Amerika; in 1910 liet hij zijn gezin overkomen. In New York bleek Arthur een slim jongetje, dat snel Engels leerde. Toch verliet hij school op zijn veertiende om geld te verdienen. Hij werkte onder andere als assistent van een commercieel fotograaf en begon zijn eigen carrière door met een pony, genaamd ‘Hypo’, door New York te trekken en portretten van kinderen te maken. Hij werkte als paspoortfotograaf, als technicus in de donkere kamer van Acme Newspictures en had in de jaren twintig een bijbaantje als violist die stomme films begeleidde. Later zou hij verklaren dat hij daar leerde hoe hij de emoties van het publiek moest bespelen.

Dat laatste werd al snel bepalend voor zijn fotografische carrière: Weegee wist als geen ander wat het grote publiek wilde zien. En daarin durfde hij veel verder te gaan dan anderen. In die zin was Weegee veel intelligenter dan zijn foto’s doen vermoeden: hij wist perfect hoe hij van zijn beperking zijn kracht kon maken en hoe hij moest appelleren aan de universele onderbuik.

Zo moet hij goed hebben beseft dat zijn fotografisch-technische bagage beperkt was, maar dat die beperking prima paste bij de rauwe, ongepolijste wereld die hij vastlegde. Zelfs het felle flitslicht dat hij gebruikte was daarbij geen bezwaar. Sterker nog: Weegee zette in de donkere kamer de harde contrasten nog eens lekker aan, niet alleen omdat een duistere achtergrond de foto’s spannender maakte, maar ook omdat zulke contrasten beter uitkwamen op de persen waarop de goedkope tabloids waarvoor hij werkte nu eenmaal werden gedrukt.

Of neem zijn gebruik van taal: Weegee heeft een voorkeur voor het fotograferen van mensen onder een reclame- of uithangbord dat indirect commentaar op de situatie lijkt te leveren. Een met kranten afgedekt lijk bijvoorbeeld dat ligt onder een reclamebord waarin de film ‘Joy of living’; wordt aangekondigd – waar hij dan ook gretig de titel Joy of living aan meegeeft. Of een foto van een bijna leeggebloed lichaam op de stoep voor een restaurant dat ‘The Spot’ heet en die dan ook meteen On the spot wordt genoemd. Het is macabere, vileine humor van de kleine man die over een lijk heen de kans grijpt de getapte jongen uit te hangen – en die helaas nog grappig is ook. En het publiek vrat het, dus wie kon het hem kwalijk nemen?

In dat sarcasme, in die valse gniffel die je de fotograaf als het ware van achter zijn camera ziet trekken zit de crux van zijn werk. Weegee was de eerste fotograaf die op die manier een vilein verbond met zijn toeschouwers sloot. Hij stelt zich op als de boodschapper uit de onderwereld, de vooruitgeschoven post uit ‘onze’ wereld die laat zien wat voor gruwelijke, maar fascinerende zaken er ‘daar’ allemaal gebeuren, zaken die je lust tot sensatie prikkelen, maar die je ook wilt afkeuren. En daar geeft Weegee alle gelegenheid toe. Hij stoot je aan, wijst op een venijnig detail, maakt grappen en levert commentaar waardoor hij laat zien dat hij zich meer met jouw wereld identificeert dan met die van de mensen op zijn foto’s. Uiteindelijk staat hij aan de goede kant. Hij is slechts de boodschapper.

Ed van der Elsken

Hoe vreemd het ook klinkt: precies daarin is Weegee oneindig invloedrijk geweest. Weegee was de eerste fotograaf die zo’n verbond met zijn toeschouwer sloot, het verbond van ‘wij, de kijkers, tegen de wereld’. Wie dat mechanisme doorheeft ziet het bijna dagelijks: in kranten, tijdschriften, in musea en op websites: of het nu de foto’s van Ed van der Elsken of Diane Arbus zijn, of die van de persfotograaf die een somber kijkende vrouw op een sgp-congres vastlegt of een gapende wereldleider. Ze dragen allemaal dezelfde Weegee-code uit: de fotograaf die als boodschapper een schijnbaar neutraal beeld uit een ‘vreemde’ wereld haalt om dat vervolgens als grappig of vreemd of afwijkend aan de ‘normale’ wereld te tonen.

De impliciete boodschap is daarbij steeds dat de fotograaf en de toeschouwer dezelfde code’s kennen, dezelfde grappen maken en dus een verbond sluiten – over het hoofd van de gefotografeerde heen. Dat klinkt kil en fotografen zouden er ook niet mee wegkomen, als de besten van hen (zoals Van der Elsken en Arbus) niet hadden laten zien dat je op zulke foto’s ook veel mededogen met je onderwerp kunt tonen – juist de spanning tussen voyeurisme en empathie maakt hun werk zo spannend.

Maar zulke subtiliteiten waren aan Weegee niet besteed. Weegee’s roem is volledig gebaseerd op zijn pionierschap in het ongegeneerde, op het als eerste cultiveren van de slechte smaak die nu eenmaal óók een onvervreemdbaar onderdeel van de fotografie is geworden.

Precies die slechte smaak, dat gebrek aan gêne verklaart ongetwijfeld waarom Arthur Fellig Weegee werd. Weegee was Felligs publieke, harde, sarcastische kant. Die rol acteerde hij zo goed dat we nooit zullen weten of hij ook zachte kanten had. Dat deed er ook niet meer toe: al snel kon Fellig niet meer zonder Weegee, vielen ze samen, liepen in elkaar over. Hij liet zichzelf fotograferen bij de achterbak van zijn Chevrolet, volgestouwd met apparatuur. Hij ontwierp een fotocredit-stempel waarop te lezen valt dat zijn foto’s werden gemaakt door ‘Weegee the famous’ en begon beroemdheden als Jackie Kennedy, Andy Warhol en Dylan Thomas vast te leggen.

Zo zijn er ook een paar foto’s overgeleverd waarop Weegee zelf is te zien, onder anderen met sterren als Marlene Dietrich, Gregory Peck en Tony Curtis. Dat is een vreemd, zelfs wat pijnlijk gezicht: de kleine man met de bolle ogen is overduidelijk een vreemdeling in dit universum. Toch ging hij zozeer geloven in zijn eigen roem dat hij na de oorlog daadwerkelijk naar Hollywood vertrok, waar hij ‘consultant’ werd bij films en ging experimenteren met panoramafotografie – maar echt succesvol werd hij er nooit.

Dat was Weegee’s ironie: hij dacht dat zijn roem hem zou verlossen van de straat, de duisternis en de primitiefste instincten, maar hij besefte niet dat hij voor veel mensen juist de verpersoonlijking van die instincten was. Weegee was een aasgier die ons, de toeschouwers, een stukje van zijn buit aanbiedt. En wij happen vrolijk toe. M

De tentoonstelling ‘Weegee – uit de collectie Berinson’ is van 14 december tot en met 5 maart te zien in Foam Fotografiemuseum Amsterdam. Zie www.foam.nl

Hans den Hartog Jager is kunstcriticus. Onlangs puliceerde hij het boek Andy Warhol in essentie.

Foto’s: © Weegee (Arthur Fellig) /

International Center of Photography / Getty Images