Vernieuwingen onderwijs

Onrust op school

Voor de school van onze kinderen (dochter en zoon van 18 en 16) patrouilleert vandaag politie. Gisteren was er een loos brandalarm. Deze week is het beslist onrustiger dan andere weken. Maar onrust is er constant. Mijn grootste bezwaar bij alle vernieuwingen in het onderwijs is het gebrek aan stilte, concentratie en orde.

Al lang voordat onze kinderen naar school gingen, veranderde het onderwijs. Lesstof moest aantrekkelijker zijn, parate kennis kon wel minder en de eigen ontwikkeling van een kind is de norm. De invloed van dit alles heb ik bij onze kinderen gemerkt. Bijvoorbeeld aan het wisselvallige rooster. Omdat er allerlei leuke en leerzame excursies en werkweken georganiseerd worden, en er dus een wisselende groep leraren afwezig is in school, kan het rooster nog wel eens veranderen. Dat geeft onrust in de school. Er zijn weliswaar veel mogelijkheden tot zelfstudie, maar die worden vaak benut voor gezelligheid of balorigheid. Ook in de lessen zelf is er gebrek aan rust. Volgens onze kinderen zijn er nauwelijks lessen waarin echte stilte en concentratie in de klas heerst.

Het aantal uren huiswerk dat leerlingen maken is mijns inziens minimaal. Veel huiswerk kan al in de les gemaakt kan worden. Onze kinderen leren nog maar weinig uit het hoofd, geen rijtjes, geen formules, geen gedichten. Ze kunnen zich inderdaad ieder op hun eigen manier ontwikkelen en doen dat ook, God zij dank. Maar er wordt te veel vertrouwd op de zelfsturing van kinderen.

Al met al vind ik dat de vrijheid en ruimte die onze kinderen krijgen te veel van het goede is. Structuur stabiliseert, stilte en concentratie maken verdieping mogelijk. Het zijn volgens mij noodzakelijke elementen om gelukkig te zijn en succesvol in wat ook maar.

Dat de leerlingen nu zelf overal in het land de straat op gaan, is tekenend voor de situatie. Ze zijn de lessen zonder structuur of inhoud, waarmee die extra uren om de norm te halen meestal gevuld worden, zat. En terecht. De leerlingen vragen om structuur. Dat noem ik brandalarm.

Inge Hoek

Denkvermogen

Ik was docent bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA) toen daar het ‘Nieuwe Leren’ werd ingevoerd, ongeveer tegelijkertijd met een fusie met de Universiteit van Amsterdam (UvA). Mij werd gevraagd een column te schrijven voor het interne blad van de fusie-organisatie UHA . In 2001 heb ik die geschreven, met de strekking dat de fusie met de universiteit het HBO zou kunnen redden van de ‘nieuwe-leren’ ondergang, uiteraard wat diplomatieker geformuleerd. De column werd echter geweigerd door de redactie van het blad omdat „het toch niet opportuun is om nu te beweren dat het HBO-niveau zo is gedaald.” Het leek mij juist wel opportuun en dat is het volgens mij nog steeds omdat sindsdien het niveau alleen nog maar verder is gedaald. Het huidige HBO-niveau is mijns inziens niet meer te vergelijken met het niveau in de jaren zeventig en tachtig en is lager dan het MBO-niveau uit die jaren. Menige HBO-opleiding verdient, door alle vernieuwingen, het predicaat hoger niet meer. In het HBO waren de vernieuwingen zeker geen verbeteringen.

Hier volgt de column die in 1999 werd geweigerd:

‘In 1979 werd je van tevoren geselecteerd (met een 5 voor Nederlands op het HAVO mocht je aan de voorselectie niet meedoen) en de opleiding was kort (3 à 3,5 jaar). Er werd ons een studielast van 50 uur per week beloofd en een hoog studietempo. Dat klopte. In 32 contacturen per week en 20 uur zelfstudie worstelden we ons zelfstandig door originele Engelstalige boeken, verdiepten ons in wetenschappelijke modellen, werden zonder begeleiding op pad gestuurd om de beroepspraktijk te verkennen en daarover te rapporteren. Wij, de studenten, vonden het wel eens wat te veel van het goede, vooral omdat zelfs gymnastiek wekelijks op het programma stond. Dat kwam, zo werd ons uitgelegd, omdat het HBO onder de Wet Voortgezet Onderwijs viel en die schrijft sport verplicht voor. 60% viel in het eerste jaar af en na 3,5 jaar had de andere 40% het diploma. Helemaal klaar voor de beroepspraktijk; zo voelden we ons.

In 1999 valt het HBO onder de WHW, sport is uit het curriculum verdwenen. Maar dat niet alleen. Zelfstandigheid leer je aan de hand van projectbegeleiders en studieloopbaanbegeleiders en in de Nederlandstalige boeken is alle theorie alvast voor je toegepast. Je leert met ware leersystemen compleet met samenvattingen, vragen én antwoorden. De studielast is 40 uur per week, met hooguit 20 contacturen en de opleiding duurt 4 à 4,5 jaar. De selectie vindt plaats in het eerste jaar, maar daar kom je zonder al te veel moeite wel doorheen. Het rendement is over het algemeen geen 40% na 3,5 jaar.

Is deze stand van zaken wellicht te verklaren uit een samenleving die eenvoudiger is geworden en om professionals vraagt die vooral duidelijk omschreven opdrachten kunnen uitvoeren? Dat laatste heb ik niet gemerkt. Eerder het omgekeerde: er is meer denkvermogen nodig.

Uiteraard is bovenstaande beschrijving enigszins een karikatuur. Het geheugen vertekent immers. Maar desondanks lijkt het HBO iets verloren te hebben de afgelopen twintig jaar. Je zou het denkkracht of academisch gehalte kunnen noemen. Het mag wat mij betreft wel weer wat academischer worden op het HBO. Omdat de beroepspraktijk erom vraagt. De fusie tussen HvA en UvA, de invoering van een bachelor/master structuur en de bijeenkomsten van de UHA kring stemmen me optimistisch: er is een goede kans dat het weer academischer.’

Piet Verhoeven

Wiskunde

Van 1992 tot 2003 ben ik uit het voortgezet onderwijs weggeweest. In die tijd hebben de basisvorming en de tweede fase in de scholen vorm gekregen. Ik heb dat proces vanaf de zijlijn gevolgd. Terug voor de klas als docent wiskunde constateer ik de volgende veranderingen:

Wiskunde in klas 1 tot 3 is voor havo- en vwo-leerlingen te makkelijk. Velen kunnen dat met weinig inzet volgen. Begrijpen is genoeg. Beheersen vereist discipline, oefening en training, waar veel leerlingen niet toe komen.

Formele redeneringen zijn geschrapt. In plaats van definities en axioma’s, zorgvuldige geformuleerde bewijzen van stellingen, wordt het bouwwerk van de wiskunde opgebouwd aan de hand van enkele voorbeelden met een conclusie.

Ten derde: In de eerste leerjaren komt abstraheren vrijwel niet meer voor. De rekenvaardigheden waren al slecht, maar ook het hanteren van letters bij het oplossen van diverse problemen levert bij veel leerlingen grote problemen op.

Ik durf de stelling aan dat met de basisvorming het eindniveau wiskunde van klas 3 in havo en vwo met ongeveer één schooljaar gedaald is en dat van kennismaking met de essentie van wiskunde geen sprake meer is.

Menco Dane