Thuis gaat de oorlog door

Nederland blijft voorlopig in Afghanistan. Een missie kan diep ingrijpen in het leven van soldaten. „Ik ben een stukje persoonlijkheid kwijtgeraakt.”

Niet lang geleden had maatschappelijk werker Willem Veldkamp voor het eerst een Uruzgan-veteraan aan de lijn, een jonge jongen. Hij belde om een veteranenpas aan te vragen, waarmee oud-militairen allerlei voordeel kunnen krijgen. Maar Veldkamp kreeg het idee dat er meer aan de hand was. „Ik vroeg of hij al een uitkering had aangevraagd. Nee, hij wilde zichzelf redden. Ik vroeg wat hij nu deed. Vissen. Ik vroeg wanneer. ’s Morgens vroeg.”

Vermijdingsgedrag, zegt Veldkamp, wat een reactie kan zijn op zijn verblijf in Afghanistan. Maar dat onderkent de jongen zelf niet. „Zijn moeder zei: hij zit de hele dag op zijn kamer.”

Nederlandse militairen blijven voorlopig in Afghanistan, heeft het kabinet gisteren besloten. Ze hebben het zwaar. Patrouilles liggen geregeld onder vuur, het risico van bermbommen is groot. De vijand wordt eerder sterker dan zwakker. Een denktank berichtte vorige week dat de NAVO-troepenmacht zou moeten worden verdubbeld om nog enige kans te maken tegen de Talibaan. Niets wijst erop dat dat zal gebeuren.

Hoewel volgens Veldkamp 70 à 80 procent van de uitgezonden militairen na terugkeer geen problemen krijgt, kan deelname aan een buitenlandse missie diep ingrijpen. Militairen kunnen gewond raken of psychische klachten krijgen, zoals een posttraumatische stress-stoornis (ptss), waar ze altijd last van houden. Ze kunnen doodgaan, zoals in Afghanistan tot nu toe twaalf Nederlandse militairen. Denken militairen hier vooraf over na? Waarom zijn zij eigenlijk bereid zoveel te riskeren voor een ingewikkeld conflict in een ver en vijandig land?

Vier veteranen van eerdere missies praten hierover. Een van hen doet dat thuis en onder eigen naam, de drie anderen tijdens hun tweewekelijkse groepsgesprek bij GGZ Drenthe in Assen. Zij willen niet met hun naam in de krant. Twee van hen, ex-dienstplichtigen, hebben klachten als slapeloosheid, herbelevingen, verwardheid. De derde, een ex-beroepsmilitair heeft geen problemen, hij woont de groepsgesprekken bij uit solidariteit. Allen hebben als ‘blauwhelm’ gediend, op missies in Libanon, Angola en Bosnië.

Toen Erik (37) in 1992 voor het eerst naar Bosnië vertrok, als chauffeur bij de VN-missie UNPROFOR, was hij ‘een kind met een rijbewijs’. Hij wist dat er gevaar kon zijn, maar dacht daar niet over na. Op zijn eerste missie keek hij ‘redelijk positief’ terug. Bij de tweede maakte hij de val van Srebrenica mee. Tevoren was hij naar eigen zeggen een sociaal en behulpzaam mens. Nu noemt hij zichzelf schuw. Zo komt hij ook over. „Ik ben een stukje persoonlijkheid kwijtgeraakt.”

Paul ging in 1983 als 20-jarige vrijwillig mee naar Libanon. Hij wilde iets nuttigs doen, had geen zin tijdens de vervulling van zijn dienstplicht maandenlang „pauw pauw te roepen op de Nederlandse hei”. Zijn peloton moest toezicht houden op twee Libanese dorpen. Toen begon onverwachts de Israelische inval en zaten de blauwhelmen midden in een oorlog. „Op 25 meter van onze post kwam zwaar geschut langs richting Beiroet. Twee weken later zag je lijkkisten terugkomen richting dorp. Daar zat geen deksel op. Stof waaide eruit. Boeit je niet. Denk je.”

Ook Paul veranderde, al merkte hij dat zelf niet meteen. „Toen ik terugkwam zeiden anderen het tegen mij. Ze vonden dat ik raar reageerde. Radicaler. Directer. Ik vond dat niet. Ik voelde me alleen een vreemde eend in de bijt.”

Ben (62) nam onder meer deel aan een VN-missie in Angola in 1991, om toe te zien op de ontwapening van strijdende partijen. Daar kwam weinig van terecht. „Hoe kun je ook in een land dat 37 keer zo groot is als Nederland een contingent neerzetten van ruim tweeduizend man, onder gebrekkige leiding van een Afrikaanse generaal? Er werd met ons gespeeld.” Gaandeweg kreeg hij het idee dat de VN de missie min of meer waren vergeten. „Maar ja, er stond weer een Nederlands vlaggetje op de internationale kaart. Daar ging het toch om? Nu toch ook weer?”

Maatschappelijk werker Willem Veldkamp, oud-beroepsmilitair, begeleidt al 25 jaar militairen die uitgezonden zijn geweest, eerst vanuit het ministerie van Defensie en sinds 1988 vanuit zorginstelling De Basis. Het is niet ‘de vijand’ die na afloop de meeste problemen geeft, zegt hij. Ook niet als de militairen daar, zoals nu in Afghanistan, gericht op ze schieten. Het doden van mensen hoort bij hun beroep.

Veel moeilijker wordt het als er burgers in het spel zijn. Als de militairen per ongeluk een vrouw of een kind raken. Als iemand op een mijnenveld de lucht in gaat, honderd meter verderop blijft liggen en ze hem niet kunnen helpen. Als ze verbrande lijken ruiken, gewonde kinderen horen kermen. Dat zulke dingen óók gebeuren tijdens een uitzending, daar staan militairen vooraf niet bij stil. Hun training is gericht op skills and drills. Tijdens de missie schakelen ze hun gevoelens uit. Dan moeten ze handelen, overleven.

De meeste militairen vertrekken volgens Veldkamp met het idee dat ze mensen gaan helpen of redden. Die verwachting komt meestal niet uit. In Bosnië ondervonden VN-militairen weerstand van de moslimbevolking die zij moesten beschermen. Dat veroorzaakt volgens Veldkamp een soort rouw. „Ze ervaren een verlies van zingeving, van onschuld.”

In Afghanistan bleek de vijand sterker dan gedacht. Talibaan vermommen zich als vrouwen, gebruiken kinderen als menselijk schild. Militairen in Uruzgan zeiden tegen embedded journalisten dat de opbouwmissie al lang een vechtmissie is. Defensie ontkent dat niet. „Wat niet moet gebeuren, is dat de situatie in Afghanistan gaat afwijken van de perceptie in Nederland”, zei commandant der strijdkrachten Dick Berlijn in Nova. Hij zei ook, bij de uitreiking van herinneringsmedailles aan 1.600 Afghanistan-veteranen, dat hij opbouwmissie ‘een ongelukkige term’ vond.

Dat is een verschil met hoe het vroeger ging. Libanon-veteraan Paul kreeg nog de dienstopdracht te zwijgen over de missie. Zelfs zijn familie vertelde hij niets. Over de negen doden die daar vielen, kwam nauwelijks iets naar buiten. „Er was geen aandacht voor. Over Libanon is helemaal niets bekend.”

Maar ook nu er meer openheid is, kan de situatie ter plekke zwaar tegenvallen, blijkt uit sommige berichten uit Afghanistan. „De gevechten die hier soms geleverd worden, zijn het niet waard om voor te sterven”, stond in een door De Pers gepubliceerde anonieme brief van een Afghanistan-militair. „Dit gebied lijkt doordrenkt te zijn van de Talibaanstrijders. Zelfs tolken die ons werk vertalen naar de lokale Afghanen zijn niet te vertrouwen.” Op weblogs schreven Nederlandse militairen over Afghanen dat zij stinken en zich wassen „in hetzelfde water als zij waarin zij schijten en pissen”. Defensie voerde daarop een gedragscode in voor de blogs.

Bosnië-veteraan en toneelschrijver Barry Hofstede (35) vindt zulke uitingen een legitieme vorm van afreageren. „Als militair doe je elke dag 15, 16 uur je stinkende best. Mag je het dan af en toe even zwart-wit zien als het tegenzit.” Hij wenst de militairen in zijn laatste column in het veteranenblad Checkpoint „het allerbeste met die rotklus”.

Tegen de muur in zijn Utrechtse flatje staat een aluminium lijst met de herinneringsmedailles en certificaten die hij kreeg na zijn eigen uitzending, in ’92-’93. Jarenlang lagen ze onder zijn bed, tot hij besloot dat hij ernaar wilde kijken. „Uiteindelijk is het het meest tastbare dat ik aan waardering gehad heb.” Hij kreeg na terugkeer ook andere dingen te horen. Dat hij een oorlogsmisdadiger was en: ‘Het is niet echt beter geworden hè, nadat jullie daar hebben gezeten’.

Dat laatste was ook wat hij zelf nauwelijks kon verwerken. Hij was gegaan om mensen te helpen en dat heeft hij kunnen doen. „We deden niets anders dan hulpgoederen rondrijden. Dekens, water, bonen, meel, nierspoelapparaten. Ik heb me nog nooit zo nuttig gevoeld.” Maar toen hij weer thuis was, ging de oorlog in alle hevigheid door. Dat sneed hem door de ziel, zegt hij. „Ik was heel, heel teleurgesteld. Ik voelde me nutteloos. Ik wilde alleen maar terug.”

Ook hij is door zijn uitzending veranderd. Niet alleen omdat hij ptss kreeg, waar hij nog altijd last van heeft in tijden van stress. Ook omdat hij zijn wereldbeeld moest bijstellen. Oorlog is voor hem niet meer iets van zestig jaar geleden dat alleen voorkomt in verre landen. „Het kan hier ook gebeuren. Mensen zijn destructief. Ik ook, ik plaats me daar niet boven.” Nadat er in Bosnië spullen gestolen waren uit hun tent, waarvan de militairen dorpelingen verdachten, was hij zo boos dat hij de volgende Bosniër die over het kamphek klom graag overhoop geschoten had. „Om een spijkerbroek, een computerspelletje! Een totaal uit zijn verband gerukte reactie. Maar zo ga je denken. Waar je mee omgaat, daar raak je mee besmet.”

Aan buitenlandse missies ligt altijd een politiek besluit ten grondslag. Niet militairen, maar in de eerste plaats politici formuleren nut en noodzaak. „Nederland is trots op jullie”, zei premier Balkenende tijdens een bliksembezoek op 11 september tegen Nederlandse militairen in Afghanistan. „Ik geloof dat we gewoon kunnen zeggen dat wat jullie doen in het belang is van de mensen hier. Voor vrede en veiligheid, niet alleen in Afghanistan maar wereldwijd.”

Voor Barry Hofstede hebben zulke woorden weinig met de realiteit te maken. Hij las het boek Talibaan van de Pakistaanse journalist Ahmed Rashid, om de situatie in Afghanistan te begrijpen. „Al die clans, warlords en gasten die geld verdienen met drugs zitten echt niet te wachten op westerse democratie.” Maar ja, zegt hij, de missie moet aan het volk worden verkocht. „Balkenende kan moeilijk zeggen: Het is vrij uitzichtloos. We gaan het nog een paar jaar proberen. Zet ’m op.”

Zelf is hij nooit boos geweest over de woorden waarmee zijn humanitaire missie politiek verdedigd werd. Hij wond zich wel op toen zijn kampcommandant in zijn ogen de waarheid verdraaide. „Op een gegeven moment was in het dorp behoorlijk de pleuris uitgebroken. Moslims en Kroaten stonden lijnrecht tegenover elkaar. Moslims werden hun huis uit getrapt, gedeporteerd. We hadden allemaal twee magazijnen gekregen en sommigen plakten die met tape aan elkaar, zodat je snel kon herladen. Zei de kampcommandant bij het ochtendappèl dat dat toch echt niet kon want: ‘het is hier godverdomme geen oorlog’.”

Noem dingen bij hun naam, zegt Hofstede. „Je speelt met mensenlevens. Ga dan niet spelen met woorden.” Noem iemand van 21 die dood terugkomt uit Afghanistan geen ‘held’. „Dat is gewoon een ontzettende pechvogel. Die had 80 moeten worden. Hij is gegaan met de beste bedoelingen, maar wel met in zijn achterhoofd het idee dat hij terug zou komen.”

Het nieuws rond de verlenging van de missie in Afghanistan maakt veel los, ook bij de drie veteranen in Assen. „Ik beleef dat als mijn tweede missie in Srebrenica”, zegt Erik. „Nutteloos en niet te volbrengen. En net als toen, is dat duidelijk vanaf dag één.”

Paul: „Ik denk meer aan de jongens die er zitten. Ik vind dat ze goed bezig zijn. Of het het waard is, zal moeten blijken. Ik ben blij dat ze in elk geval van zich af mogen schieten.”

Erik: „Dat was niet het doel. Het zou gaan om wederopbouw. Daar heb ik nog niets van gezien.”

Ben: „Nee, van het begin af aan is er gesproken over wederopbouw én geweld.”

Erik: „Ja, maar het zou 80-20 zijn. Tachtig procent wederopbouw.”

Paul: „Je moet wel ruimte hebben voor wederopbouw.”

Ben: „Ik denk dat de aanwezigheid van een internationale troepenmacht in Afghanistan noodzakelijk is. Om een eind te maken aan de dictatuur, wanorde, de onmenselijke toestanden. Om verbetering te brengen voor Jan met de pet, de gewone burger. Met name ook de vrouwen.” Hij vindt wel dat de Nederlandse regering „ballen moet tonen”. „Ze zijn met goed materieel weggestuurd, maar het neemt af. Ze moeten meer geld vrijmaken.”

„Ik hoop echt dat ze daar goed werk kunnen doen”, zegt Barry Hofstede. „Maar het lijkt me een kansloze missie.” Toch denkt hij dat hij in het voorjaar van 2008 naar Afghanistan zou gaan, als hij nu als jonge militair voor de keus zou staan. Niet omdat hij overtuigd is van het nut van de war on terrorism, integendeel. Gewoon, toch weer om mensen te helpen. „Je bent jong. Je hebt een hoop idealen. En het wordt supermooi gebracht. Ik had het idee dat we naar Bosnië gingen als Jezus met een blauwe baret.”