Terug in het dorp

Wat valt er te vertellen over een tijd dat er niets was? „Niets”.

’S Morgens vroeg vertrekken we per bus uit het grauwe, rommelige Fuyang.

Juist geploegde akkers trekken voorbij, afgebakend door rijen stramme populieren. Dit is het noorden van de provincie Anhwei, een van de armste gebieden van China. Regen druipt langs de ramen. „Het zal erg modderig zijn in mijn dorp”, voorspelt Jiang Ying zorgelijk. Ze is twintig en studeert Engels in de stad die we net verlaten hebben. We stappen uit in een gehucht waar precies dezelfde wit betegelde winkels langs de weg staan als in alle andere gehuchten die we passeerden. „Hier begint de modder”, stelt Jiang Ying vast.

We slaan een pad in en glibberen tussen koolvelden door. Dan naderen we een cluster ommuurde boerderijen: het dorp van Jiang. Iedereen is hier familie van elkaar. Achter een rode poort vinden we haar ouders. Plechtig schudden ze me de hand. Haar moeder op rubber schoenen en veel kleiner dan haar dochter, haar vader gekleed in traditioneel boerenblauw. Hij vertrekt meteen op de fiets, wij nemen plaats in de woonkamer op lage krukjes. De vloer is van steen, in twee belendende vertrekjes staan harde, houten bedden. Jiang Ying is niet in luxe opgegroeid. Gedurende de oktobervakantie heeft ze nog geholpen met het binnenhalen van de sojabonen. De oogst staat in zakken tegen de muur gestapeld. „In Nederland is zeker geen modder?”, informeert de moeder terwijl ze het werk dat ze heeft neergelegd weer opneemt. Ze zet knopen aan een babyjasje. „De vrouw van mijn broer gaat binnenkort bevallen”, verklaart Jiang Ying. „Laat het een jongen worden”, vult de moeder aan.

De broer van Jiang Ying studeerde aan de universiteit waar zij nu op de campus woont, hij werkt inmiddels als bibliothecaris. In een terzijde zegt Jiang Ying tegen mij: „Mijn schoonzusje is in de stad geboren, ze is enig kind. Zij en mijn broer vinden het helemaal niet erg als het een meisje wordt.’’

„Als mijn zoon geen zoon krijgt”, vervolgt de moeder, „sterft onze naam uit.” Ze laat de andere jasjes zien die ze gemaakt heeft van rode katoen. Ook heeft ze liefdevol gewatteerde dekentjes gestikt voor haar toekomstige kleinkind. „Moet je voelen hoe heerlijk zacht die stof is. Vroeger hadden we dat allemaal niet.” Ze laat haar dochter een stapel gekleurde lappen uit een kast halen. „Deze heb ik zelf geweven. Heel ruw zijn ze, ze schuren tegen je huid.’’ Weken, maanden arbeid ligt op mijn schoot. „Alles moesten we zelf maken”, vervolgt de moeder. „Zelfs voor onze bruiloft konden we geen nieuwe kleren kopen.” Jiang Yings moeder is geboren in 1951, toen Mao een paar jaar aan de macht was. Vragen over haar jeugd wimpelt ze af. „Wat valt er te vertellen over een tijd dat er niets was? Niets!” Haar schooltijd? Ze schudt het hoofd. „Ik heb nooit een les gevolgd.” „Mijn moeder kan de karakters van haar eigen naam niet schrijven”, zegt Jiang Ying. „Ik werkte op het land”, gaat de moeder verder. Ze doet voor hoe ze als klein meisje met een hak de aarde bewerkte. „En ik hielp mijn moeder koeken bakken van grof gemalen graan. Tegenwoordig kun je zoveel rijst en meel kopen als je wilt, vroeger was daar geen sprake van.” Ze vlecht nog een knoop van een stukje touw en naait ook die vast, turend door een bril met een groot zwart montuur. „Maar ik heb twee kinderen die naar de universiteit zijn gegaan. Daar ben ik trots op’’, besluit ze. Dan gaat ze naar de keuken om het houtvuur van haar fornuis op te stoken.

De vader is terug op zijn fiets. Jiang Ying dekt de vierkante tafel in de woonkamer. De moeder draagt gestoomde broodjes aan en kommen sojabonensoep. De vader heeft koude kip, eend, lever, en gerookt varkensvlees gehaald. „Dat is tegenwoordig in het Grote Dorp te krijgen’’, zegt hij achteloos. Tijdens het eten vraag ik: „In China worden nu zoveel meer jongens geboren dan meisjes. Zullen die jongens wel een vrouw kunnen vinden om mee te trouwen?” „In dit dorp zijn er meisjes zat”, reageert de vader. Officiële cijfers maken op hem geen indruk. „Ze zeggen maar wat”, heeft hij geleerd. „In de dorpen mogen mensen meerdere kinderen krijgen. Als de eerste een meisje is, laten ze er nog een komen. Als de tweede ook een meisje is, nog een. Zo krijg je juist families met veel meisjes.” In de namiddag baggeren we terug naar de weg. Terwijl we in de bus door het natte land rijden, oefent Jiang Ying de antwoorden op Engelse vragen voor een les morgen. „My village is famous for its vegetables and soyabeans”, mompelt ze. Ik dacht aan wat haar moeder had gezegd: „Over drie jaar werkt onze dochter ook.” De taak van de ouders is dan volbracht, Jiang Ying zal hen dan ondersteunen. „Wat is je droom?”, luidt de volgende vraag op haar papier. „To make my family rich”, formuleert ze. „En iets dat je zelf graag wil?”, informeer ik. Ze kijkt naar buiten en zegt: „Ik zou graag de zee willen zien.”