Speerpunt van Gerbaal geeft Feniciërs gezicht

De Feniciërs, scheppers van het alfabet, zijn minder bekend dan hun buren, de Egyptenaren en de Grieken. Een tentoonstelling in het Arabisch instituut van Parijs geeft hen een gezicht.

Buiten aan het Institut du monde arabe in Parijs hangt een groot doek. „Hoe zien de mensen die ons het alfabet gaven eruit?” luidt het opschrift. Binnen moet de tentoonstelling La Méditerranée des Phéniciens, de Tyr à Carthago („De Middellandse Zee der Feniciërs: van Tyrus tot Carthago) antwoord geven.

De Feniciërs zijn niet vaak onderwerp van een grote, aparte tentoonstelling geweest. De laatste, in het Duitse Mainz, dateert al weer van 1990. De Feniciërs, die inderdaad het alfabet hebben verspreid, zijn bij het grote publiek dan ook niet zo populair en bekend als de Egyptenaren. Musea hebben geen aparte Fenicische afdeling. Bij een televisieprogramma als Weekend Miljonairs zal wel gevraagd worden wie het Egyptisch hiërogliefenschrift heeft ontcijferd (antwoord: Jean François Champollion), maar niet wie het Fenicisch ontcijferde (antwoord: de geestelijke Jean-Jacques Bartolémy in 1758).

Dat komt doordat Fenicië nooit als staatkundige eenheid heeft bestaan. Homerus mag dan wel over Fenicië en Feniciërs spreken, maar de mensen die tussen 1500 en 332 vóór Christus in de kuststreek van wat nu Libanon en Syrië heet woonden, hebben zichzelf nooit als rijk of eenheid gezien. Ze associeerden zich alleen met hun eigen stad, met Sidon bijvoorbeeld of Tyrus of Byblos. Dat was de thuisbasis vanwaar ze uitvoeren over de Middellandse Zee, tot voorbij de Straat van Gibraltar. Waar ze kwamen, voerden ze handel in onder meer hout, edelmetalen en de uit zeeslakken gewonnen kleurstof purper – in het Grieks phoenix geheten en vandaar de naam Phoenikoi, ‘Phoeniciërs’.

De andere oorzaak van de niet-beroemdheid der Feniciërs heet Ernest Renan. Eind 1860 had de Franse keizer Napoleon III deze schrijver, filoloog en historicus naar de Levant gestuurd – in het kielzog van een 6000 man groot Frans expeditieleger, dat de moord op christenen door Druzen moest vergelden. Voor de Fransen vormden blijkbaar ook machtspolitiek, diplomatie en wetenschap een soort heilige drie-eenheid. En dus groef Renan in de tien maanden dat de ‘vredesoperatie’ duurde op bij Arados, Amrit, Byblos, Sidon en Tyrus. Als bewonderaar van onder meer de oude Griekse kunst, viel de kwaliteit van de vondsten hem tegen. In zijn latere publicaties zou hij de Feniciërs als het ware de Japanners van de Oudheid noemen: harde werkers, maar hun kunst was imitatiekunst.

De opgravingen leidden ondanks Renans negatieve oordeel in Frankrijk nog wel tot een kortstondige ‘Fenicische mode’. Het zal geen toeval zijn geweest dat kort daarna Flaubert het Carthaagse hofleven in de roman Salammbô schilderde, dat Berlioz een deel van de opera Les Troyens in Carthago liet spelen, en dat Barbe Rimsky-Korsakov, tante van de componist, verkleed als de Fenicische godin Tanit op het carnaval verscheen.

Veel van wat Renan heeft opgegraven, is terechtgekomen in het Louvre, dat daarom nu een grote bijdrage aan de tentoonstelling in het Institut du monde arabe kan leveren. Het is een ‘klassieke’ archeologische tentoonstelling: verschillende onderwerpen als het Fenicisch schrift, religie, handel, zeevaart, kunstnijverheid en de dodencultus worden allemaal keurig apart behandeld. In de vitrines zijn veel mooie en interessante dingen te zien. Neem de vergulde zilveren schalen, die vanwege de onmiskenbare Egyptische, Assyrische en Griekse invloeden op het eerste gezicht vooral willen aantonen dat het woord eclectisch voor de Fenicische kunst is uitgevonden. Maar bij nadere bestudering laten ze zien dat Homerus de Feniciërs niet voor niets als metaalbewerkers prees. Want met groot vakmanschap en gevoel voor detail zijn rond een centraal medaillon verschillende jacht- en strijdscènes uitgehamerd.

Bijzonder zijn verder de ruim twintig centimeter grote doopvontschelpen (Tridacna squamosa), die waarschijnlijk als houders van cosmetica hebben gediend. De binnenkant is ingegraveerd met motieven als palmetten, de buitenkant toont een soort vogel en van de bolle schelptop is een gezicht gemaakt.

Marmeren sarcofagen in de vorm van mensen zijn het bewijs dat de mengeling van een Egyptisch kenmerk (de sarcofaag) en Griekse elementen (het Griekse marmer en de beeldhouwstijl van gezicht en kleding) een eigen Fenicisch gezicht kan opleveren.

Deze drie categorieën vondsten alleen al maken een bezoek aan de tentoonstelling de moeite waard. Althans, voor wie toch al in Parijs is. Voor het predikaat ‘de reis waard’ is de tentoonstelling te abstract. Waarom niet van het onderzoek van Renan de overkoepelende verhaallijn gemaakt? Het helpt ook niet dat de dikke catalogus nodig is om bijvoorbeeld de inhoud van de getoonde Fenicische teksten te weten te komen. Zo blijken de korte opschriften op bronzen speerpunten heel praktisch ‘punt van Azorbaal, zoon van Adonibaal’ en ‘punt van Gerbaal, Sidoniër’ te betekenen. Dat soort details geven de mensen die ons het alfabet gaven een gezicht.

T/m 2 april in Insitut du monde arabe, 1, rue des Fossés-Saint-Bernard, Parijs. Info 0033-1-4051 3838, www.imarabe.org.