Papier hier

Karel Knip

En was Ernst Braches niet witheet? Nee, Ernst Braches was niet witheet. “Ik weet dat het in de mode is om witheet te zijn, maar dat was ik niet. Ik heb het volste vertrouwen in de Koninklijke Bibliotheek. Deze instelling heeft nog nooit iets vreemds gedaan. Ik denk dat de plannen van de KB genuanceerder zijn dan de berichten erover in de media.”

Neerlandicus en boekhistoricus Ernst Braches was conservator van de Universiteitsbibliotheek van Leiden en – tot zijn pensioen in 1995 – bibliothecaris van de UB in Amsterdam. Braches werd naar een oordeel gevraagd over het voornemen van de KB om een groot deel van de boeken van 1800 tot 1950 in hemelsnaam maar los te snijden uit de band om ze des te sneller te kunnen scannen en digitaliseren. Braches zou wel mordicus tegen zijn, was de aanname, maar dat bleek een vergissing. “De KB is onze nationale bibliotheek, ze heeft een enorm boekenbestand en veel van die boeken zitten al niet meer in de oorspronkelijke band. Veel ziet er nogal lorrig uit. Het versnijden en digitaliseren kan een nuttige sanering zijn. Ik weet zeker dat de KB behoedzaam omgaat met haar kostbare banden.”

De publicatie van de plannen heeft de emoties hoog doen oplopen en het was de bedoeling er van AW-wege nog een schepje bovenop te doen. Maar het liep anders. Braches blijkt diep doordrongen van de vergankelijkheid van het boek. “Het papieren boek is beperkt houdbaar en is dat altijd geweest. Er wordt getwist over de vraag of de boeken uit de bibliotheek van Alexandrië door christenen of door moslims zijn verbrand. Een feit is dat ze sowieso waren verdwenen als ze niet waren overgeschreven. Papyrus gaat maar hooguit tweehonderd jaar mee.”

Zo was het wel welletjes met de relativering. Het besef dat doortastende ambtenaren in stofjassen, of erger nog: leuke, vrolijke meisjes met iPods in hun oren, straks duizenden en nog eens duizenden negentiende-eeuwse boeken gaan kapotsnijden en weggooien, dat besef is bijna niet te verdragen. Denk aan de containers waarin de oude, geurige en goed leesbare vellen zich opstapelen, denk aan het heen en weer rijden van de vrachtwagens naar de afvalverbrandingsinstallatie.

En denk dan aan de vondst, op het Amsterdamse Waterlooplein, van een ‘Algebraïsch rekenboek voor de scholen ten dienste van eerstbeginnenden’ van de hand van H. Hemkes Kzn. (1852). De degelijke band, de lastige maar verzorgde typografie, de latere onderstrepingen, de notities in de marge, de inktvlekken en dan het nieuwe bijsnijden om de verfomfaaide bladranden weer recht te trekken.

Het boek is méér dan alleen informatiedrager, daar gaat het om. Er wordt tweemaal extra-informatie aan toegevoegd. Eerst als drukker en uitgever beslissen hoe ze het boek zullen ‘vorm geven’, zoals dat heet. Later als de lezer er zijn sporen in achterlaat.

En na 35 jaar trouw bezoek aan het gestaag afnemende aantal boekenstallen op het Waterloo-plein kan hier met gezag beweerd worden dat er geen lezer is die geen sporen achter laat in zijn boek. Niet alleen onderstrepingen en uitroeptekens, notities in de marge, maar ook gedroogde viooltjes, briefjes, tekeningen, foto's, koopbonnen, vingerafdrukken, haar en huidschilfers. Een enkele maal het schouderbandje van een beha als bladwijzer. Of opdrachten, zoals de intrigerende boodschap in ‘Het boek der uitvindingen, ambachten en fabrieken’ (1859): “Is eens mijn rol volbragt, Op ‘t ondermaansch tooneel, Dan valt dit gansche werk, Aan Kantelaar ten deel.”

Kun je dichter bij de 19de-eeuwse Nederlander komen dan door zijn kinderboeken, lesboeken, kookboeken, woordenboeken, vademecums en almanakken op te slaan? Bekijk de lange rij handtekeningen in ‘Het leeskabinet - Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen’ (1864). De beschaafde heren hadden geen zin er veel geld aan uit te geven. Zie hoe ordeloos er is omgegaan met de ‘Gids voor de milicien der infanterie’ (1891). Hoe anderzijds een infanterie-officier in de ‘Handleiding bij de studie der tactiek’ het advies ‘Het opzetten van de bajonet is volstrekt niet noodzakelijk’ resoluut doorstreept. Met pikzwarte inkt, want het is al 1912.

Nu, emotionele overwegingen tellen niet, anders waren bio-industrie en walvisvaart al afgeschaft. Maar het 19de-eeuwse boek biedt ook een afspiegeling van de industriële revolutie in Nederland die zijn weerga niet kent. Tot 1820 is bijna alle boekpapier nog geschept lompenpapier. Dan komt, heel snel, het papiermachinepapier, eerst nog van lompen, na 1840 van houtslijpsel. Het drukproces verandert ingrijpend. De lithografische illustratie komt op en verdwijnt weer. Rond 1885 verschijnen de rasterfoto's. In 1913 zijn er al kleurenfoto’s.

En ook de sporen van de lezer gaan met hun tijd mee. Het gebruik van de moderne stalen pen raakt al vreemd vroeg in de eeuw in zwang, maar potlood (net zo modern) blijft lang zeldzaam. Halverwege de eeuw wordt de galnoteninkt (die van lieverlee altijd bruin verkleurt) vervangen door moderne inkt die blauw of zwart blijft. Het anilinepotlood verschijnt. Enzovoort. Ten slotte het schouderbandje.

Van dit alles blijft niets over als de vrolijke jonge meisjes hun karwei hebben opgeknapt. Dan ligt het als vuil in de container en gaat het als vliegas de schoorsteen uit. ’t Is onzin er een drama van te maken, maar onjuist om niet te waarschuwen.