Openhartigheid over Afghanistan geboden

Nederland staat er komende jaren in Uruzgan bijna alleen voor. VS en Australië blijven ook in het zuiden van Afghanistan. Maar voor het overige is er weinig hulp in aantocht. Het kabinet-Balkenende, dat aanvankelijk serieuze bijstand eiste, kan vooralsnog in totaal slechts rekenen op een paar honderd manschappen uit Frankrijk, Tsjechië, Slowakije en Hongarije. Die geringe bijstand verlicht de medische en andere ondersteunende diensten, maar niet de vechtmissie die Nederland vooral uitvoert.

Desondanks wil de regering nog twee jaar langer in Afghanistan blijven Op 1 augustus 2010 gaat Nederland er als ‘leading nation’ weg. „Hoe dan ook” zelfs, aldus de brief die de regering gisteren aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Die stelligheid noopt tot de vraag waar het bij de missie in de tussenliggende twee jaar nog om gaat. Als Nederland zich in 2010 terugtrekt is de kans klein dat het slotakkoord ‘missie volbracht’ zal klinken. De regering schrijft het openhartig. Van bouwen komt minder terecht, dan het kabinet in 2006 hoopte. Van vechten helaas des te meer.

Het aantal frontlijnen neemt toe. Het gaat allang niet meer om de Taliban alleen. Elke etnische groep of clan – waarmee Afghanistan toch al rijk is bedeeld – heeft een specifiek belang en kan een vijand worden. Ook het noorden en westen van Afghanistan worden onrustiger. Evenals de hoofdstad Kabul. De bestrijding van de papaverteelt door Amerikaanse militairen, onder meer meer met pesticiden, doorkruist bovendien de aanpak door Nederland, dat probeert boeren op saffraan te laten overstappen.

De door de regering genoemde successen (beter politiek en burgerlijk bestuur, adequate politie, basale medische zorg, onderwijs en infrastructuur) steken bij zulke moeilijkheden schril af. Eenduidige doorbraken zijn bovendien niet snel te verwachten. De Nederlandse ministers van Buitenlandse zaken, defensie en ontwikkelingssamenwerking erkennen het ruiterlijk. Is er op het ene terrein vooruitgang geboekt, dan wordt die op het andere tenietgedaan.

Als het per saldo al goed zal gaan, dan ligt zoiets pas rond 2020 in het verschiet. Tot die tijd zijn pragmatisme en opportunisme het parool. Dit perspectief staat onverhoeds geformuleerd op pagina 16 van de brief aan de Kamer. „Een hybride bestuurs- en veiligheidsmodel, met zowel tribale als ‘moderne’ elementen, lijkt op de middellange termijn (15 jaar) het meest effectieve vooruitgangsmodel in Uruzgan”, aldus de bewindslieden.

Waarom heeft het kabinet dan toch besloten tot verlenging van de missie? Wie alle hoogstaande en lovenswaardige argumenten van de regering daarvoor weegt, houdt twee redenen over die uiteindelijk het zwaarst wegen: het verzoek van president Karzai van Afghanistan om te blijven, en het belang dat Nederland heeft bij goede bondgenootschappelijke betrekkingen binnen NAVO en VN, de opdrachtgevers.

Zulke argumenten snijden hout. Geopolitieke overwegingen zijn soms nu eenmaal belangrijker dan concrete en berekenbare doelstellingen.

Maar dat neemt niet weg dat zulke afwegingen eerst en vooral beter in de Tweede Kamer aan de orde moeten komen. Met de brief van gisteren is de kwestie dus niet afgedaan.

Er is zeker reden voor een voortgezet verblijf in Uruzgan. Maar bij het besluit daartoe is meer openhartigheid geboden dan het kabinet tot nu toe aandurft. Bij ketelmuziek is niemand gebaat. Niet de Nederlandse soldaten die hun leven riskeren, noch de Afghaanse burgers die op vrede en vooruitgang hopen en evenmin de internationale gemeenschap.

Reageren op de hoofdartikelen?Ga naar nrc.nl/commentaar