Kolleksies tot op de laatste punt

fransje kuyvenhoven – de staat koopt kunst – 411 blz. leiden, primavera pers, euro 39,50. vrije universiteit amsterdam, 28 november 2007. promotores: prof.dr. c.blotkamp, prof.drs. r. de leeuw

Als dat maar goed gaat, denk je onwillekeurig bij het lezen van de titel van dit proefschrift. Het ging ook lang niet altijd goed in de zestig jaar dat het Ministerie van OCW , beter gezegd zijn voorgangers de ministeries van OKW en CRM, voor Nederland moderne kunst aankocht. Toen het wel goed ging, ging het ook zo goed, dat er politiek en ambtelijk verzet ging ontstaan tegen een te eigenmachtig optredende en dus onvermijdelijk als arrogant beschouwde dienst. In 1992 vonden de laatste aankopen plaats en in 1997 werd de Rijksdienst Beeldende Kunst opgeheven. Na een jarenlange restauratie is het kolossale gebouw aan het Plein in Den Haag nu in gebruik als kantoorgebouw voor de Tweede Kamer.

De collectie die de RBK onder beheer had, was enorm. Het ging om ongeveer 400.000 schilderijen, tekeningen, grafiek, meubels, sieraden, keramiek, tapijten, foto’s en video’s. Ongeveer 30.000 daarvan waren door het Rijk zelf aangekocht. Fransje Kuyvenhoven was in de laatste jaren verantwoordelijk voor de documentatie van de collectie en het archief van de Dienst. Dat is in het proefschrift goed te merken, want niet minder dan een kwart van het boek bestaat uit noten, bronvermeldingen en bijlagen. Werkelijk alles over de Dienst en zijn voorgangers is tot op de laatste punt en komma vastgelegd. Ook in de tekst wordt de lezer geen commissie, nota of reorganisatie bespaard. Dat maakt wel dat je soms tussen de bureaucratische bomen het bos niet meer ziet, maar omdat het boek heel toegankelijk en zonder enige gewichtigdoenerij geschreven is, haakte ik toch niet af. Dat deed ik trouwens ook niet bij de zeven delen van Het Bureau van Voskuil. Lees en huiver dus over een dienst waar voor niet meer dan een miljoen gulden per jaar kunstwerken werden aangekocht, die op advies van een veertien leden tellende ‘Adviescommissie voor de Programmering van Collecties voor Tentoonstellingen’ vervolgens met hulp van in totaal 140 projectgroepen werden getoond op ‘witte vlekken’ (gemeenten zonder kunst) op grond van een ‘Voorstel samenhang beleidsmiddelen op het gebied van de beeldende kunsten’.

Het zal nauwelijks verbazen dat de vergaderingen van de Adviescommissie een hele dag duurden, waarna de secretaris de volgende dag brieven naar zichzelf als beleidsmedewerker van de bkr kon gaan schrijven. Hij schreef ook naar zichzelf terug.

We zitten dan midden in de jaren zeventig, bureaucratisch en alternatief tegelijk. Alles is nog heel ambtelijk, maar de ambtenaar heeft lang haar en schrijft zonder ooit een hoofdletter te gebruiken in een informatiebrochure van het ministerie van CRM het woord collecties als ‘kolleksies’. Volgens de registratie van het ministerie telt Nederland dan 14.000 beeldende kunstenaars en het bedrag dat in 1972 door Sociale Zaken aan de Beeldende Kunstenaarsregeling (BKR) werd uitgegeven was met 13 miljoen gulden een veelvoud van het bedrag dat CRM voor aankopen beschikbaar had. Daarmee is meteen ook duidelijk dat het aankoopbeleid van het rijk niet hetzelfde was als het financieel ondersteunen van kunstenaars. De ‘contraprestatie’, zoals de BKR in de wandeling nog heel lang bleef heten, leverde het rijk wel heel veel kunstwerken op, die ook bij de RBK werden ondergebracht. Zelf kocht de Dienst kunst op grond van kwaliteit en steeds meer ook met de bedoeling een representatieve collectie Nederlandse moderne kunst op te bouwen. Er zijn zelfs plannen geweest om al verzamelend de basis te leggen voor een rijksmuseum voor moderne kunst.

In 1932 werd voor het eerst op de rijksbegroting ruimte gemaakt voor door de overheid te verstrekken opdrachten voor kunst in overheidsgebouwen. De Technische Hogeschool in Delft, toen nog niet verzelfstandigd, kreeg een sfeervol schoorsteenstuk van Lizzy Ansingh voor de curatorenkamer. Een paar jaar later kreeg Willem van Konijnenburg een grote opdracht: een serie wandtapijten voor de aula van de Utrechtse universiteit. Ze hangen er nog en kostten het voor die tijd astronomische bedrag van zestigduizend gulden. Het Rijk betaalde daar maar een deel van, want het kunstaankoopbudget bedroeg niet meer dan tienduizend gulden per jaar. Daar werd midden jaren dertig nog weer op bezuinigd, maar dankzij de toeslag op de Zomerzegels bleef het budget toch op peil. In de crisisjaren kwam er ook voor het eerst geld voor steun aan werkloze kunstenaars. Het ging om maximaal zes gulden in de week en de kunstenaar hoefde daarvoor geen tegenprestatie te leveren.

Meer geld voor de kunst kwam pas in de tijd van de bezetting beschikbaar. Het oude adagium van Thorbecke, dat de overheid niet zag als een oordelaar van kunst en wetenschap moest wijken voor de stelling, dat kunst juist bij uitstek een regeringszaak is. In 1943 was het budget een veelvoud van wat het was voor de oorlog en Seyss-Inquart deed er nog eens een halve ton per jaar bij. Er werd zeker niet alleen foute of slechte kunst gekocht. Topwerken van Carel Willink en Pyke Koch , maar ook werk van Jan Sluijters, Charley Toorop en de jonge Karel Appel. Uiteraard was werk van Joodse kunstenaars wel volstrekt taboe. Toch blijft het vreemd en verwarrend om te lezen hoe tot bijna het laatste oorlogsjaar een positief, actief en naar verhouding zelfs gul kunst- en museumbeleid werd gevoerd. Na de oorlog werd het allemaal weer erg zuinig en moesten elkaar opvolgende commissies ervoor zorgen dat de overheid weer niet zelf oordelaar van kunst werd. Niettemin lieten sommige ministers en ambtenaren wel blijken wat ze van sommige aankoopvoorstellen vonden en in het algemeen kwam dat er op neer dat het wel veel geld voor weinig waar was. Een dieptepunt in de naoorlogse kunstopdrachten is wel de rijmprent voor de schooljeugd bij gelegenheid van het gouden regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina geweest. Een ouderwetse prent van Piet Worm met een gedicht van Bertus Aafjes (‘Laat nu al wat Neerland heet…’) waarin de naam van de koningin fout gespeld stond.

Het Rijk verzamelt nu zelf geen kunst meer. Het Instituut Collectie Nederland beheert het sterk gesaneerde bezit en de Mondriaan Stichting helpt musea bij aankopen. Een enkele keer schiet de overheid nog wel eens uit zijn slof. Nooit meer dan toen voor vele tientallen miljoenen de laatste grote Mondriaan werd gekocht. De Victory Boogie-Woogie heeft een eigen zaal in het Haagse Gemeentemuseum en echt Nederlands is al uitgerekend hoeveel ton ieder van de kleine kleurvakjes heeft gekost.