Het jongensboek

Dit stukje is alleen voor jongens die weten hoe je onzichtbare inkt maakt, die met een katapult kunnen schieten, het verschil tussen een insect en een spin kennen, in een zelf gebouwd karretje hebben gereden en Dick Bos tot hun helden rekenen. Deze jongens zijn nu misschien een jaar of zestig, of nog maar dertig, of zelfs tachtig, maar dat maakt in dit geval geen verschil. Ze zijn gebleven wat ze toen waren. Dat beseffen ze weer als ze in Het Jongensboek gaan lezen, de zojuist verschenen vertaling van The Dangerous Book for Boys van Conn en Hal Iggulden (De Harmonie, 27,50 euro). Terwijl je je erin verdiept en verder verdiept, krijg je het gevoel dat je weer een korte broek aan hebt en zo vlug mogelijk naar buiten moet om aan de slag te gaan. Geen tijd te verliezen! Verder aan je boomhut werken. Een karretje maken. Een waterbom vouwen.

Om te beginnen ziet dit jongensboek er van buiten prachtig uit. Het lettertype waarin de titel is gezet en de kleuren doen denken aan je boeken van vroeger, Jules Verne, Paul d’Ivoi en van deze laatste voor mij in het bijzonder zijn Vrijbuiter Triplex die een onderzeeboot tot zijn beschikking had. Er is in dat boek een illustratie, een gravure, waarop je ziet hoe in volle woeste zee van het stalen dek van de onderzeeboot een vuurpijl wordt afgeschoten. Mijn exemplaar is weggeraakt zoals dat met boeken kan gaan; het plaatje hoort tot de dierbaarste beelden in mijn geheugen. Onderzeeboot, vuurpijl, woeste zee. Alles in orde. Op het omslag van Het Jongensboek staan plaatjes van een ring met twee gekruiste beenderen en een doodshoofd, een kompas, een globe en een ridderorde. Voor medailles ben ik nooit gevoelig geweest, de andere zijn onmisbaar.

Dit is dus een boek van het soort waar alles in staat. Het hoort tot het alles-genre. Er zijn ook romans die daartoe horen, boeken over architectuur, essays, enz. Hier vinden we alles wat een jongen wil en moet weten, over de dinosaurussen, struikeldraad, beroemde veldslagen, een periscoop maken, zeerovers, fietsen, bomen, meisjes, electromagneten en nog ontzettend veel meer. Zoveel dat lang niet iedere jongen alles wat hier wordt beschreven zal hebben geprobeerd. Ik althans niet. Wel weet ik veel van de stegosaurus, maar met tafelvoetbal heb ik geen ervaring.

Terwijl ik verder las en zocht ontdekte ik dat Het Jongensboek niet aan de geest van deze tijd is ontkomen. Dat blijkt vooral uit wat er niet instaat. Er is bijvoorbeeld geen hoofdstuk over de windbuks, een wapen dat je vrij in de winkel kon kopen toen ik een jongen was. Verder wordt de samenstelling van buskruit niet vermeld. Weet ik uit mijn hoofd, maar ik zal het hier niet opschrijven. Het Jongensboek deed me hier en daar denken aan The Anarchist Cookbook van William Powell, verschenen in 1971 en daarna vaak herdrukt. Daaruit kun je alles leren wat in deze tijd van de oorlog tegen het terrorisme streng verboden is. Powell heeft er later trouwens geweldige spijt van gekregen dat hij dit boek geschreven had.

Gelukkig hebben de Nederlandse vertalers wel het Rooverslied van Woutertje Pieterse opgenomen. Ik citeer de hoofdzaak:

„Met mijn zwaard op m’n paard en mijn helm op het hoofd er op in! En den vijand den schedel gekloofd. En vooruit! Op den weg langs de heg, met een houw en een stoot de dragonders verjaagd en den markgraaf gedood... Om den buit! En die buit is mijn bruid, mij gekocht met m ’n staal. En ik voer, als een veêr, met mij mee haar in ’t zaal naar de grot...” Enzovoort. Vanwege het ruimtegebrek heb ik de kreten van ontzetting, geslaakt door Woutertjes familie overgeslagen.

Ik heb ook kritiek. Het hoofdstukje over de afwas is gebrekkig. Afwassen, ‘het doen van de vaat’, is meer dan het toepassen van een aantal truukjes. Het is een strategie. Elke vorm van vuile vaat vergt zijn eigen efficiency, zoals ook Jan Cremer weet. Met hem heb ik eens de tactiek en strategie van de afwas doorgenomen en we waren het gloeiend eens.

Het hoofdstuk Vissen gaat niet in de eerste plaats over deze dieren maar hoe je ze met een hengel en aas, in dit geval een levende made aan een haakje moet vangen. Ik citeer er één zin uit: „Doe voorzichtig als je je hengel uitwerpt, want een haakje in je wenkbrauw is een bijster onaangename ervaring.” Wat voelt de vis als hij gedacht heeft, een lekker hapje te hebben aangetroffen en hij merkt dat hij een haak in zijn bek heeft? Ik zou dit hoofdstuk niet hebben opgenomen maar de tekst gestuurd aan minister G. Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Zij wil op de lagere school les in hengelen laten geven en is voorstander van de drukjacht.

Verder is het een mooi boek.