Hard oordeel Rekenkamer over onderwijs

De financiële onderbouwing van de onderwijsvernieuwingen die de afgelopen zestien jaar zijn ingevoerd, „laat te wensen over”. Dit blijkt uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer.

Het onderzoek is op verzoek van de Tweede Kamer uitgevoerd om de Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen te helpen, die haar eindrapport begin 2008 zal publiceren. De Algemene Rekenkamer doet in het onderzoek geen uitspraken over de beleidsmatige effecten van de onderwijsvernieuwingen; dat moet de parlementaire commissie gaan doen.

Volgens het onderzoek hebben de onderwijsvernieuwingen (vmbo, basisvorming en tweede fase) 2,2 miljard euro meer gekost dan was gepland.

Van slechts een deel van het totale budget voor onderwijsvernieuwingen kan met zekerheid worden gezegd óf ze besteed zijn door het ministerie, laat staan dat ze ook echt voor de vernieuwingen zijn gebruikt. Ook is van 72 procent van het geld dat scholen voor de vernieuwingen hebben gekregen, niet duidelijk of ze het daadwerkelijk hiervoor hebben aangewend.

Onder druk van scholen en de Tweede Kamer op het ingezette beleid, kwam telkens op incidentele basis extra geld vrij om de problemen op te lossen. Dat geld was niet gebaseerd op deugdelijke plannen, maar was volledig gebaseerd op hoeveel ruimte er was op de begroting. Het vmbo was de duurste onderwijsvernieuwing, met 45 procent van 2,2 miljard extra kosten. In het invoeringsplan vmbo 2001-2003 stond geen financiële paragraaf.

Omdat het beleid zo onvoorspelbaar was, was het voor scholen lastig een goed (financieel) beleid te voeren. „Een meer planmatige aanpak verdient volgens de Algemene Rekenkamer aanbeveling”, aldus het rapport. De Rekenkamer adviseert verder dat het ministerie, maar ook scholen, een betere verantwoording af moeten leggen over hun financiële beleid.

Uit een internationale vergelijking tussen 30 overwegend welvarende landen (OESO) blijkt dat Nederland 5,1 procent van het Bruto Binnenlands Product uitgeeft aan onderwijs; het gemiddelde van de dertig OESO landen is 6,2 procent.

Naast de 2,2 miljard euro extra, namen de totale uitgaven aan voortgezet onderwijs in de periode van 1990 tot 2007 toe van 2,5 miljard naar 5,8 miljard euro op jaarbasis.