Gebottelde vrolijkheid

Wat zou champagne zijn zonder belletjes?

Een simpel fris, zo niet zuur en scherp wijntje.

Nog meer dan andere wijnen moet champagne het hebben van de behandeling die de wijn heeft gehad. Bij de méthode champenoise ondergaat de wijn in de fles een tweede gisting door de toevoeging van wat gist en suiker.

De gistcellen zetten de suiker om in koolzuurbelletjes. Uiteindelijk leggen de gistcellen het loodje. Het bezinksel moet worden verwijderd, maar niet dan nadat de dode gistcellen de champagne nog hebben verrijkt met gedistingeerde aroma’s. Door de flessen een tijdje op hun kop te bewaren en regelmatig te bewegen zakt het bezinksel in de hals van de fles. Met pekelwater wordt de flessenhals bevroren en na het openen van de flessen plopt er een klontje ijs met het bezinksel uit de hals. De flessen worden bijgevuld met een mengsel van champagne en suiker. Hoe meer suiker, hoe zoeter de champagne. Daarna krijgt de fles zijn karakteristieke kurk met draadkorfje.

Het procedé dat elders méthode traditionelle heet, vanwege de bescherming die de champagne geniet, levert alleen bij niet al te rijpe druiven een aantrekkelijke resultaat met een juiste balans tussen zoet en zuur.

De Fransen schrijven de uitvinding van de méthode champenoise graag toe aan de benedictijner monnik Dom Pérignon, maar de Engelsman Christopher Merret was hem rond 1660 voor. Waarschijnlijk probeerde de monnik het gisten juist te voorkomen. In Frankrijk beschouwde men een gistende wijn als mislukt, maar de Engelsen wisten de bruisende belletjes wel te waarderen. Toch was Dom Pérignon belangrijk voor de ontwikkeling van de champagne. Hij legde de basis voor voorschriften die nu nog de kwaliteit van champagne bepalen. Zo beperkte hij de hoeveelheid sap die uit een partij druiven mag worden geperst. Ook de assemblage van regionale wijnen als basis voor champagne komt uit zijn koker, daarvoor worden enkel de druiven Chardonnay, Pinot Noir en Pinot Meunier gebruikt.

Imago

Wat zou champagne zijn zonder de naam ‘champagne’ op het etiket?

Een stuk goedkoper.

Bij champagne betaal je niet alleen voor de beschermde naam van de streek van herkomst, maar ook voor de reputatie van de producent. Grote producenten hebben zorgvuldig een imago opgebouwd dat wordt bewaakt en gekoesterd. Hoewel een groeiend aantal wijnboeren zelf de champagne maakt, zijn de grote champagnehuizen nog steeds dominant, zeker in de export.

Ze kopen de druiven op van de wijnboeren. Door het mengen van wijnen geven ze de champagne tot een constante voor het huis kenmerkende smaak. Zonodig wordt er ook nog champagne uit eerdere jaren toegevoegd. Alleen in jaren met een uitzonderlijke kwaliteit druiven, wordt er champagne gemaakt enkel met druiven uit dat jaar, een vintage.

Wat zou champagne zijn zonder de jaarwisseling?

Een marginaal product.

Althans als het aan de Nederlanders ligt, want zij drinken het grootste deel van de nationale champagneconsumptie in de nieuwjaarsnacht. Dat is na de oliebollen en de vruchtenbowl niet het meest geschikte moment om van een delicate drank te genieten. Wie, net als ik, een Belgische grootmoeder heeft, weet dat champagne ook heel goed bij verjaardagen of als aperitief bij een feestelijke lunch. En wordt niet elke gelegenheid feestelijk als met een harde knal – of liever nog met een beheerst plopje – de gebottelde vrolijkheid bruisend vrij komt?