Gauguins tanden gevonden in put

Archeologen hebben op Hiva Oa, een afgelegen eiland in de Stille Oceaan dat deel uitmaakt van de Marquesaseilanden, een waterput gevonden die gebruikt werd door Paul Gauguin. Daarin zijn objecten gevonden als een Nieuw-Zeelands bierflesje, maar ook vier mensentanden die waarschijnlijk van Gauguin waren.

De resultaten van de opgraving zijn bekendgemaakt in Van Gogh Studies, een nieuw wetenschappelijk tijdschrift van het Van Gogh Museum dat jaarlijks zal gaan verschijnen. Het essay over Gauguin is geschreven door Gauguin-specialist Caroline Boyle-Turner en doet van de opgraving die in 2000 plaatsvond.

Gauguin woonde van 1901 tot zijn dood in 1903 in het dorp Atuona. Hij bouwde er zijn eigen Maori-hut genaamd ‘la Maison du Jouir’ (huis van plezier) en sloeg een put in de buurt van zijn hut. Na de dood van Gauguin werd de put door de eilandbewoners volgestort met afval uit zijn huis.

De objecten van Gauguin werden gevonden op 2,7 meter diepte. Op de bodem van de put lagen onder meer diverse drankflessen en gebroken parfumflesjes. Volgens Boyle-Turner was het aanbieden van parfum „een manier om de Polynesische vrouwen te verleiden”. Ook werden brokken mineraal gevonden die nog altijd naar lijnzaadolie roken. Daaruit kan worden opgemaakt dat Gauguin zijn eigen verf maakte. Een gebroken kokosnootschil met pigment deed hoogstwaarschijnlijk dienst als palet.

Er wordt aangenomen dat Gauguin leed aan syfilis. Ook had hij last van een ernstige vorm van eczeem. Twee ampullen met morfine die in de put zijn gevonden dienden waarschijnlijk om de pijn te verzachten.