EK voetbal in Alpenlanden moet toerisme stimuleren

Morgen wordt in Luzern geloot voor het Europees kampioenschap voetbal van volgend jaar zomer in Oostenrijk en Zwitserland. Ruim een miljoen kaartjes zijn beschikbaar.

Als Pascale Vögeli, de Zwitserse woordvoerster van de organisatie van Euro 2008, wordt gevraagd waarin dit toernooi zich gaat onderscheiden van alle andere Europese kampioenschappen voetbal, moet ze voor het eerst even nadenken. Dan volgt er toch een aardige opsomming. „Het grootste verschil zal het landschap zijn van Zwitserland en Oostenrijk. Ik wil niet zeggen dat ik Portugal of Nederland geen mooie landen vind, maar bij ons is de natuur met de Alpen en de meren wonderschoon. De Zwitsers staan er om bekend dat ze zich gereserveerd opstellen. Ze kunnen niet feesten zoals Nederlanders. Maar ze zullen zich niet als harteloze mensen gedragen.”

Het is misschien niet het antwoord dat je verwacht. Maar het voetbal fungeert komende zomer vooral als aanjager voor het toerisme. Zwitserland en Oostenrijk organiseren het EK in de hoop dat de voetbalsupporters onder de indruk raken van de twee landen en nog eens terugkeren.

Een stimulans voor de voetbalsport zelf zal naar alle waarschijnlijkheid beperkt blijven. De Zwitserse voetbalbond SFA heeft slechts 230.000 geregistreerde beoefenaars. De Oostenrijkse bond ÖFB meer dan twee keer zoveel, ruim 592.00. Ter vergelijking: de Nederlandse KNVB heeft 1,1 miljoen leden. Maar het aantal inwoners is ook minder in vergelijking met Nederland: Zwitserland heeft 7,4 miljoen inwoners, Oostenrijk 8,2 miljoen.

De Zwitsers verwachten volgend jaar in juni tussen de drie en vijf miljoen bezoekers te moeten verwerken. Oostenrijk zelfs nog meer. Er zijn weliswaar 1.050.000 plaatsbewijzen beschikbaar, maar sinds op het WK in Duitsland (2006) het fenomeen Fanfest zijn intrede heeft gedaan, draait het wat de belangstelling betreft niet meer alleen om de stadions. Vooral in de toeristische oorden ver buiten de speelsteden zullen voetbaldorpen worden ingericht, compleet met grote schermen en tribunes om de wedstrijden te volgen.

Het ligt voor de hand dat er enorme vraag zal ontstaan naar hotelaccommodaties in beide landen. Vögeli: „Dat wordt zeker in de speelsteden een probleem. We verwachten dat de mensen bereid zijn om elders een tijdelijk onderkomen te zoeken. Dan is er misschien een treinreis van een uur nodig om bij de stadions te komen, maar dat zal voor de supporter toch geen bezwaar zijn? Verder worden er rondom de speelsteden speciale campings ingericht.”

Het openbaar vervoer gaat een belangrijke rol spelen op het komende EK. Een toegangsbewijs voor de wedstrijd is tevens ook een gratis ticket voor trein of bus. „We hopen daarmee te bereiken dat tachtig procent van de toeschouwers niet met eigen vervoer komt”, zegt Vögeli. „Eerlijk gezegd maken we ons nogal zorgen over de smalle toegangswegen naar de stadions in met name Oostenrijk. Zoals in Klagenfurt en Wenen. Daar liggen de stadions in de stad en zijn moeilijk bereikbaar. De Oostenrijker zal ook nog eens minder snel de trein nemen dan de Zwitser.”

De afstanden tussen de speelsteden zijn in Zwitserland te overzien, binnen de driehonderd kilometer. Maar in Oostenrijk kunnen ze flink oplopen, tot vijfhonderd kilometer. De grootste afstand is die tussen Wenen en Genève: ruim duizend kilometer. Het zal de fervente voetbalfan er niet van weerhouden zijn of haar favoriete landenteam te volgen. Wenen kreeg de finale omdat het Ernst Happel Stadion van alle toch vrij kleine accommodaties de grootste capaciteit heeft: 50.000 toeschouwers. Hier worden zeven wedstrijden gespeeld. Oranje speelt in Bern of in Salzburg (beiden 30.000 toeschouwers) de groepsduels. Na de loting krijgen de bonden 38 procent van de kaarten toegewezen. Voor Nederland betekent dat tienduizend toegangsbewijzen per duel. In maart wordt nog eens 33 procent via internet verkocht. Voor die driehonderdduizend kaarten kreeg de organisatie al 8,7 miljoen aanvragen binnen.

In de vrije verkoop kan iedere voetballiefhebber over maximaal vier kaarten beschikken. Die staan op zijn naam, maar ze zijn overdraagbaar. De koper is wel verantwoordelijk voor degene aan wie hij of zij ze doorverkoopt of weggeeft. De organisatie heeft hiermee voor een wat eenvoudiger ticketsysteem gekozen dan in het recente verleden toen alle kaarten veelal op naam stonden. Of de veiligheid, waar de Zwitsers 115 miljoen euro in hebben gestoken, daarmee gewaarborgd blijft, moet blijken.

De organisatie zal pünktlich zijn. Op het atletiekstadion in Zürich na, dat pas in september kon worden opgeleverd als voetbalarena, waren alle accommodaties ruim op tijd gereed. „Er is werkelijk geen locatie te vinden waar nog problemen zijn”, zegt Vögeli. Toernooidirecteur Martin Kallen baadt dan ook in weelde. Hij was in 2004 de troubleshooter en constateert nu dat de Zwitsers en Oostenrijkers veel verder zijn dan de Portugezen in deze fase. Toch maakt ook hij zich over één punt zorgen: de verschillen tussen Zwitserland en Oostenrijk qua organisatie zijn groter dan vooraf verwacht. Er mag geen accent liggen op het feit dat het toernooi bij twee landen is ondergebracht, zoals het WK 2002 in Zuid-Korea en Japan. Vögeli bevestigt een beeld dat veel Nederlandse vakantiegangers misschien al hadden. „Het leek me op voorhand boeiend met Oostenrijkers samen te werken. Dezelfde taal, dezelfde mentaliteit. Maar dat laatste is toch anders. Zwitsers zijn nuchter en realistisch. Oostenrijkers houden meer van uiterlijk vertoon, met vlaggen en zo. Ze zijn ook veel langzamer in het nemen van beslissingen. Maar als dat eenmaal is gebeurd, voeren ze projecten wel snel uit.”