De onwettige dochter van Chaïm Soutine

De nieuwe Pinacothèque de Paris maakte een fraaie expositie met vrijwel nooit getoonde doeken van Chaïm Soutine. Maar over de biografie van de schilder bestaat onenigheid.

Een honderdtal doeken van de Franse schilder Chaïm Soutine bijeen in Parijs, dat was al 34 jaar niet gebeurd. De schilder van Russisch-joods afkomst is nooit echt een onomstotelijke grootheid geworden in het land waar hij van zijn immigratie in 1913 tot zijn dood in 1943 al zijn werk schilderde en internationale faam verwierf. In het buitenland gaat het beter: veel van zijn werken bevinden zich in privécollecties in de Verenigde Staten, en begin dit jaar spande een door Soutine vervaardigd portret de kroon op een topveiling in Londen van werken van impressionisten en postimpressionisten.

De expositie die aan hem gewijd is in de nieuwe Pinacothèque de Paris is alleen al om die reden bijzonder. Veel doeken komen uit privécollecties, onder meer uit de Verenigde Staten, en zijn niet vaak in musea te zien. En dat is te merken. De expositie trekt veel bezoekers, die in de niet al te ruim bemeten zalen soms zelfs moeten wachten om de overdadige kleuren die Soutine meegaf aan zijn landschappen, karkassen en portretten op zich in te laten werken. De echo’s van zijn voorbeelden komen allemaal aan de orde: Courbet, maar ook Rembrandt en Van Gogh. Omgekeerd was Soutine een belangrijke referentie voor Bacon en De Kooning.

De expositie in Parijs voorziet dus in allerlei opzichten in een missing link voor liefhebbers. Ze bewijst ook het nut van de Pinacothèque, een privaat instituut dat sinds juni zonder permanente collectie op tweeduizend vierkante meter aan het Place de la Madeleine de concurrentie aangaat met de publieke Franse musea. Directeur Marc Restellini, afkomstig van het Musée du Luxembourg, heeft voorzien in een nogal gevarieerde programmering. Popart is aan al de beurt geweest, met Roy Lichtenstein. Op dit moment zijn er foto’s van het agentschap Magnum te zien en volgend jaar komen de archeologische schatten van Keizer Qin aan bod, die in de derde eeuw voor Christus China tot een eenheid smeedde.

Maar voorlopig is Chaïm Soutine het belangrijkste wapenfeit van de Pinacothèque. Goed initiatief, vindt Michel Dauberville, de 73-jarige directeur van de Parijse galerie Bernheim-Jeune. Vanaf 1929 was Soutine verschillende malen vertegenwoordigd op collectieve exposities in Bernheim-Jeune, toen geleid door Daubervilles vader.

Toch bekroop Dauberville in de Pinacothèque „een gevoel van verontwaardiging”, vertelt hij. Niet zozeer vanwege het gebrek aan ruimte, al doet de tentoonstelling Soutine daardoor volgens hem geen recht, zegt hij. Nee, het was een biografisch gegeven dat hem stoorde, of beter het ontbreken daarvan: het verdwijnen van Soutines dochter Aimée uit diens levensbeschrijving.

De biografie van Chaïm Soutine is grotendeels onomstreden. Hij werd in 1893 geboren in een voornamelijk door joodse bewoners bevolkt dorpje bij Minsk. In Parijs woonde hij aanvankelijk in de ruime gemeenschap van Russisch-joodse kunstenaars. Hij had ontmoetingen met onder anderen Modigliani en de Poolse dichter en kunsthandelaar Lépold Zborowski, die zijn eerste beschermheer werd. Zijn carrière kwam op gang toen de Amerikaanse verzamelaar Albert Barnes in 1922 in één keer talrijke werken van hem kocht. In 1943 overleed Soutine in Parijs na een kort ziekbed. De laatste jaren van zijn leven stond hij onder bescherming van de familie Castaing.

Zijn biografie vermeldt dat Soutine in 1924 een affaire had met een zeker Véra Deborha Melnik. Uit die relatie werd een jaar later een dochter geboren, Aimée. Soutine zou haar nooit officieel erkend hebben, maar haar leven lang droeg zij wel zijn naam. Verschillende databases van kunstwerken vermeldden haar naam, want zelf schilderde ze ook. „Helaas”, volgens Dauberville, die in haar geen talent zag. Maar hij onderhield jarenlang met regelmaat contact met haar. Aimée Soutine woonde tot begin deze eeuw in Parijs, in armoedige omstandigheden, vertelt Dauberville. In de buurt van Montmartre, niet toevallig de buurt waar haar vader na zijn komst uit Minsk in 1913 onderdak vond. Volgens mensen die haar gekend hebben, onder wie Dauberville, was Aimée Soutine verbitterd en gekweld door een gebrek aan erkenning. Maar het steekt hem dat ze nu „helemaal gewist uit de geschiedenis”, dreigt te worden.

Chaïm Soutine. T/m 27 jan in de Pinacothèque de Paris, Place de la Madeleine, Parijs. Inl: www.pinacotheque.com.