De beursgraadmeter loopt steeds verder leeg

Vorige week Hagemeyer. Deze week Stork. Binnenkort Vedior. Wie is de volgende die de deur op het Damrak achter zich dichttrekt?

Een jubileum met een zwart randje. Over een maand kent de AEX-index zijn 25-jarig bestaan. Maar veel bedrijven die er ooit deel van uit hebben gemaakt, vieren het feestje niet mee als zelfstandige onderneming.

Van de 52 bedrijven die in die periode in de AEX-index gestaan hebben, zijn er 22 hun zelfstandigheid kwijt geraakt. Bijna de helft dus.

Uitzender Vedior lijkt met de gisteren aangekondigde belangstelling van Randstad nummer 23 te worden. Naast de overname van Getronics door KPN zou dat een van de weinige nationale krachtenbundelingen zijn in deze eeuw. Het grootste deel van de verdwenen AEX-bedrijven zijn in buitenlandse handen overgegaan. 13 in totaal, waarvan 12 sinds 2000. Slechts drie bedrijven zijn tijdens hun verblijf aan de beurs failliet gegaan. Binnenlandse fusies en overnames waren er wel begin jaren negentig.

2007 is het topjaar met aankondigingen van het vertrek van zes (voormalige) hoofdfondsen, Stork, Hagemeyer en Vedior alvast meegerekend. Met dat soort cijfers lijkt de AEX-index een uitverkoopindex te zijn geworden. Zeker omdat aan de beurs ook nog een aantal grote namen uit het verleden staan, die inmiddels wel in buitenlandse handen zijn overgegaan maar nog steeds een tweede notering hebben in Amsterdam. Zoals Air France-KLM en automatiseerder Logica CMG. In de AEX staan de buitenlanders ArcelorMittal, en Unibail Rodamco, hun hoofdkantoren staan in Luxemburg en Parijs.

Met alle aandacht in de media wordt de graadmeter voor het beursklimaat soms gezien als peiler voor het vertrouwen in de Nederlandse economie. „De beursindex als graadmeter voor de economie is al betrekkelijk, en dat neemt alleen maar toe”, meent Hans Schenk, hoogleraar economie aan de Universiteit Utrecht. „De kloof tussen de grote en kleine fondsen in de AEX wordt alleen maar groter”, constateert Steef Bergakker, hoofd aandelenresearch van onderzoeksinstituut Iris van Rabo en Robeco. „Terwijl die al heel groot was. De index heeft altijd een onevenwichtig karakter gehad vanuit het oogpunt van risicospreiding.”

Van de veertien bedrijven die in 1983 in de eerste EOE-index (zoals de AEX aanvankelijk heette) werden opgenomen, staan er nog steeds acht in de AEX-index. Het zijn de grootmachten van het Nederlands bedrijfsleven: Shell, Unilever, Philips, Akzo Nobel, Aegon, Ahold en ING, allemaal bedrijven met een historie die teruggaat tot in de negentiende eeuw.

Niet dat bij zijn geboorte in 1983 de EOE-index heel serieus werd genomen. Die was een bedenksel van Tjerk Westerterp, de voormalige minister uit het kabinet-Den Uyl die toen voorzitter was van de optiebeurs. Hij had hem ontwikkeld, zoals hij later vertelde, tijdens een treinreis tussen Luik en Luxemburg „met behulp van een zakjapannertje en de beurspagina van de krant”, naar het voorbeeld van de toen al honderd jaar oude Dow Jones-index uit de Verenigde Staten. Hij hoopte de handel in opties in Amsterdam vlot te trekken door het net als in de VS mogelijk te maken opties aan de ontwikkelingen van de index te koppelen.

Pas in de jaren negentig begon de index aan belang te winnen, zeker nadat het bestuur van de beurs in 1994 besloot die de belangrijkste graadmeter te maken. In 1990 werd de index uitgebreid van 14 naar 25 hoofdfondsen en in 1994 werd de naam veranderd in AEX-index.

Inmiddels was door fusies en overnames al een aantal namen verdwenen. ABN en Amro gingen samen, Nationale Nederlanden fuseerde met NMB Postbank tot ING, Gist Brocades ging op in DSM en drie papier- en verpakkingsfabrikanten vormden samen KNP BT.

De tweede helft van de jaren negentig was de bloeiperiode van de AEX. Nederlandse bedrijven deden miljardenovernames, vooral in de VS. De AEX bereikte recordhoogten. Maar de kiemen voor de leegloop werden toen al gezaaid. „Je moest toen wel beursgenoteerd zijn om overnames te kunnen doen, want in die periode werden deze betaald met aandelen. De beurs kreeg een zwaarder accent als onderdeel van de kapitaalmarkt”, zegt Schenk. „Maar veel van die fusies zijn in economische zin mislukt. Private equityfirma’s stortten zich op de markt van bedrijven waar die overnames weer ongedaan gemaakt moesten worden. Onder de van de beurs verdwenen bedrijven zitten daar nogal wat voorbeelden van”, stelt de hoogleraar. „De beurs is minder belangrijk geworden.”

Sinds de overname van KLM door Air France (met wel nog een beursnotering in Amsterdam) in 2003 en de verkoop van Vendex KBB in 2004 aan investeerders kwam de golf van verkopen aan buitenlanders op gang die dit jaar een hoogtepunt bereikte. „Je moet niet spreken van een uitverkoop, maar van een leegverkoop”, zegt strategieadviseur Peter Mensing van adviesbureau Booz Allen Hamilton. „Waar zijn de opvolgers van de bedrijven die vertrekken? Ik zie niets dat de voorraad kan aanvullen. Er blijven niet veel andere grote bedrijven over.”

Daaruit moet niet de conclusie getrokken worden dat de Nederlandse ondernemingen zwakke broeders waren geworden. Schenk: „Vanuit de economische theorie zou je voorspellen dat de bedrijven met een laag rendement worden opgekocht. Maar uit internationaal onderzoek blijkt juist dat de pareltjes worden overgenomen. De Nederlandse ondernemingen presteren dus blijkbaar wel goed.”

Maar het Nederlandse beursklimaat is aantrekkelijk voor overnames. Aandelen van Nederlandse bedrijven zijn voor 80 procent in handen van buitenlanders, tien jaar geleden was dat slechts 20 procent. Die malen niet om de verkoop van het Nederlandse erfgoed.

De rechten van die aandeelhouders zijn toegenomen door de code-Tabaksblat voor goed ondernemingsbestuur. Beschermingsconstructies, die voor een flinke korting in de beurskoersen zorgden, zijn afgebroken. Voor een hoog bod kan de ondernemingsleiding niet weglopen, en de premies die worden geboden zijn hoog: 26 procent voor Hagemeyer, 40 procent bij ABN Amro, 47 procent bij Numico. Wimpel die maar eens af.

Zelf draaien Nederlandse bedrijven in het overnamecircus onopvallend mee. Akzo Nobel is een uitzondering met de overname van de Britse concurrent ICI voor 11,8 miljard euro. Heineken, dat geen traditie heeft van grote overnames, is verwikkeld in een gevecht om de Britse brouwer Scottish & Newcastle en heeft samen met Carlsberg een bod van 13,4 miljard euro gedaan.

Verder zijn Nederlandse bedrijven vooral kruimeldieven. Philips is kampioen in de kleinere overnames en deed deze week zijn grootste overname ooit door voor 2,8 miljard euro een fabrikant van lichtbehuizingen te kopen. Tomtom kocht in Nederland Tele Atlas, dat net zelf in aanmerking zou komen voor toetreding tot de AEX-index in maart.

Die wordt nu vooral uitgebreid met vastgoedfondsen. Na Rodamco Europe komen volgend jaar Corio en waarschijnlijk Wereldhave erbij. Dat zijn eigenlijk beleggingsfondsen.

Technologiebedrijven brengen het in Nederland zelden tot de status van hoofdfonds. Fabrikant van chipmachines ASML is sinds 1998 een blijver, Tomtom – dat een jaar na zijn beursgang in 2005 de AEX binnenkwam – lijkt dat te worden. De halfgeleiderdivisie van Philips leek een goede kandidaat, maar is de komende jaren als NXP stevig in handen van investeerders. Akzo zag dit jaar af van de beursgang van farmaciedochter Organon, die verkocht werd aan het Amerikaanse Schering Plough. En meer bedrijven verkochten hun overbodige divisies aan buitenlanders in plaats van ze naar de beurs te brengen: De logistiek divisie van TNT, de diepvriestak van Unilever en de bulkchemie van DSM.

„Het is verontrustend”, zegt Schenk. „Directe gevolgen voor de economie, de productiviteit of de werkgelegenheid heeft het nog niet. Maar je komt wel in de periferie van de internationale economische besluitvorming. En de inspraak voor werknemers zal afnemen, want die is in weinig landen zo goed geregeld als hier.”

De Nederlandse overheid houdt zijn passieve rol. „Zoals Hans Wijers Fokker niet te hulp wilde schieten, zo heeft Wouter Bos nu ABN Amro laten gaan”, constateert Mensing, die bijna 25 jaar grote ondernemingen adviseert. „Dat is in andere landen echt anders.”

Voor de index is het gevaarlijk als meer bedrijven verdwijnen. Maar de kans daarop is zeker aanwezig. „Wij zien nog goede mogelijkheden voor een overname of fusie van Ahold, DSM en KPN op grond van strategische motieven”, zegt analist Bergakker van Iris. „Ook een overname van Reed Elsevier achten we mogelijk, maar die is minder waarschijnlijk dan een paar maanden geleden omdat het bedrijf vooral aantrekkelijk is voor private equity.” En die doen geen grote overnames meer.

Amsterdam als financieel centrum? Van de uitgeholde beurs zal het niet komen. Schenk: „De beurs krijgt een steeds minder belangrijke rol in de kapitaalmarkt.”