Coen Oort, belastinghervormer

Vorige week overleed Coen Oort, oud thesaurier-generaal van het ministerie van Financiën en oud-bestuurder van de Algemene Bank Nederland. Die gewichtige functies bekleedde hij in betrekkelijke anonimiteit. Zijn naamsbekendheid dankt hij aan de commissie die in 1986 onder zijn leiding het toenmalige kabinet adviseerde over een ingrijpende belastinghervorming. Die zou uiteindelijk, na het nodige gepolder en in aangepaste vorm, in 1990 haar beslag krijgen. Als lid van die commissie heb ik Oort gedurende een tamelijk korte periode van nabij meegemaakt. De manier waarop hij, zelf niet opgeleid als fiscalist, ons achtkoppige gezelschap aanstuurde staat mij ruim twintig jaar later nog helder voor de geest.

Oort was een scherpzinnige man met een grote werkkracht, wellevend en beminnelijk in de omgang, die alleen een licht ongeduld verried wanneer leden van de commissie te veel tijd namen voor het berijden van stokpaarden of voor een uitgebreide bespreking van – in zijn ogen – fiscale trivia. Een lichte verbijstering leek hem te overvallen wanneer het ambtelijk secretariaat de commissie door de krochten van de verzorgingsstaat loodste om te wijzen op onverwachte en ongewenste gevolgen van een ogenschijnlijk simpele wetsaanpassing. Tijdens een vergadering op het toenmalige hoofdkantoor van de ABN aan de Vijzelstraat – Oort was na een trans-Atlantische vlucht een uur daarvoor op Schiphol geland – toonde hij zich oprecht geschokt toen een van de secretarissen uitlegde hoe de sociale uitkeringen precies zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Die netto-nettokoppeling gaf complicaties, maar daar moest toch een oplossing voor te vinden zijn? Het was aan anderen een uitweg te bedenken. De voorzitter dreef ons inmiddels met vaste hand voort.

Hierdoor kon onze commissie krap zeven maanden na haar installatie een rapport van bijna 200 bladzijden opleveren. De daarin vervatte aanbevelingen hadden de instemming van alle leden en pasten bij de tijdgeest. In de Verenigde Staten stemden het Huis van Afgevaardigden en de Senaat in met de Tax Reform Act 1986. Daarginds gingen de tariefpercentages van de inkomstenbelasting fors omlaag. Budgettaire dekking werd gevonden door tegelijkertijd de heffingsgrondslag – het inkomen en de winst waarover de belasting wordt berekend – een stuk breder te maken. Grondslagverbreding is mogelijk door het mes te zetten in aftrekposten, vrijstellingen en verlaagde tarieven. Lage tarieven die worden toegepast op een brede grondslag brengen net zoveel op als hoge tarieven die worden geheven over een door fiscale tegemoetkomingen uitgeholde grondslag.

De commissie-Oort sloeg dezelfde weg in. Zij beval aan de tariefstructuur te vereenvoudigen door het aantal ‘inkomensschijven’ waarover een oplopend percentage is verschuldigd, terug te brengen van negen tot drie. De heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting werd al met al 100 miljard gulden (45 miljard euro) breder gemaakt. Voortaan zouden inkomstenbelasting en premies voor toen nog vier volksverzekeringen op dezelfde grondslag worden geheven. Ongeveer 95 procent van de belastingbetalers zou te maken krijgen met slechts één tariefpercentage: 40. Voor de middenschijf noemde de commissie een tarief van 55 procent. Problematischer lag de kwestie van het toptarief. Het kabinet had gestipuleerd dat de voorstellen geen grote verandering in de inkomensverdeling teweeg mochten brengen. De commissie presenteerde twee varianten. Bij de ‘linkse’ variant ging het toptarief met niet meer dan twee punten omlaag, tot 70 procent. De grondslagverbreding trof vooral de gewone man. De hypotheekrenteaftrek bleef bijvoorbeeld volledig buiten schot. Daarom bestond er in de ogen van een deel van de commissie weinig aanleiding voor een cadeau aan de meest bemiddelde belastingbetalers in de vorm van een grotere tariefvermindering. De ‘rechtse’ variant behelsde een verlaging van het toptarief tot 65 procent, vooral gezien de lagere tarieven in de meeste andere industrielanden.

Drie jaar later koos de wetgever voor een hoogste tarief van 60 procent. In het najaar van 1989 ging de PvdA na zeven magere jaren in de oppositie weer meeregeren. Wim Kok werd minister van Financiën en probeerde tijdens de formatiebesprekingen het toptarief nog op te krikken. Hij vond daarvoor bij het CDA geen gehoor. Al de tot nu toe genoemde percentages lijken tegenwoordig extreem hoog, nadat bij de Belastingherziening 2001 het toptarief verder is verlaagd tot 52 procent. Veel mensen, hier en in andere landen en niet alleen van linkse politieke signatuur, ergeren zich aan de bijna ongebreidelde toename van de allerhoogste inkomens. De simpelste en meest algemene manier om hoge inkomens aan te pakken is het toptarief weer te verhogen. Daarvoor bestaat in het parlement evenwel geen meerderheid. Ook minister Bos (Financiën, PvdA) durft deze stap niet aan. Afgaande op de meest recente verkiezingsprogramma’s pleiten alleen de Socialistische Partij (55 procent) en GroenLinks (60 procent) voor een tariefmaatregel.

Bij hervormingen van onze inmiddels 115 jaar oude inkomstenbelasting viel in de vorige eeuw een merkwaardig ritme op. Steeds na ongeveer een kwart eeuw (1914, 1941, 1964 en 1990) onderging de ‘koningin van de belastingen’ een facelift. Alleen de Oort-operatie heeft een naam gekregen. Het is een passend eerbetoon voor een van de drijvende krachten achter de modernisering van ons belastingstelsel.