Bekroonde kunst nadat het rumoer is verstomd

Een terugblik op 22 jaar Turner Prize scheidt de kunstenaars van het rumoer rond de bekroning. Een doorgezaagde koe van Damien Hirsch wordt zo een sereen natuurbeeld.

Als aanstaande maandagavond in Liverpool de nieuwe laureaat van de Turner Prize bekend wordt, zal dat buiten het Verenigd Koninkrijk tot weinig opwinding leiden. Dat komt niet alleen doordat de namen van de genomineerden (Zarina Bhimji, Nathan Coley, Mike Nelson en Mark Wallinger) op weinig herkenning kunnen rekenen, het heeft vooral te maken met het feit dat het Turner-momentum voorbij lijkt. ‘De Turner’ veroorzaakt geen rellen meer, geen verhitte debatten, geen satirische oprispingen en al helemaal geen lange rijen voor de tentoonstelling van genomineerden, zoals in het midden van de jaren negentig. De Turner Prize is tot rust gekomen. De prijs is kunstgeschiedenis geworden.

Des te begrijpelijker dat Tate Britain in Londen nu een overzicht toont met werk van de 24 winnaars die de prijs sinds 1984 mochten ontvangen. Maar wie nog wat van het rumoer hoopt mee te pikken dat de prijs zijn faam heeft verschaft, komt bedrogen uit. Turner Prize, A Retrospective 1984-2006 is een opvallend rustige, bijna bedaagde expositie – wat meteen het idee versterkt dat artistieke controverses tegenwoordig nog maar zelden met het werk zelf te maken hebben, maar alles met de media en de marketing eromheen. Wanneer die ontbreken dan lijkt zelfs een controversieel beeld als Damien Hirsts Mother and Child, Divided (een door midden gezaagde koe met een door midden gezaagd kalf op sterk water) een sereen natuurhistorisch stilleven. Niks om je druk over te maken, in ieder geval.

Bij de rust die nu in Tate Britain hangt, speelt ook de geschiedenis van de prijs een belangrijke rol. Nadat ‘de Turner’ in 1984 werd opgericht, duurde het eerst jaren voor de prijs zijn vorm had gevonden. Aanvankelijk werd de prijs vooral beschouwd als de bekroning van een oeuvre, wat leidde tot gerespecteerde, beroemde, maar ook wat bedaagde winnaars als Howard Hodgkin, Richard Deacon en Richard Long. Ook klonk er kritiek op het, tegenwoordig volledig vanzelfsprekende, systeem met vier nominaties: het aloude „kunst is geen wedstrijd” werd in die jaren nog geregeld uit de mottenballen gevist. Tot de organisatie in 1989 besloot de prijs maar meteen aan Tony Cragg te geven. Toen was het huis pas echt te klein: dit was saai, luidde het algemene oordeel, en leidde niet tot discussie over kunst – toch een belangrijk uitgangspunt voor de oprichting van de prijs.

Dat die discussie pas vanaf 1993 echt losbarstte is achteraf gezien maar deels de verdienste van de Turnerorganisatie. In dat jaar werd ineens duidelijk dat de Turner een serieuze factor was in de opkomst van een nieuwe stroming: de Young British Artists. Jonge kunstenaars als Damien Hirst (winnaar 1995), Gary Hume (nominatie 1996) en Tracey Emin (nominatie 1999) overdonderden Groot-Brittannië met provocerend, mediagevoelig werk dat zich al snel mocht verheugen in verhitte discussies, ronkende controverses en grote populariteit, ook buiten de kunstwereld. En juist als brug met die buitenwereld functioneerde de Turner ideaal: vanaf 1993 bevond zich altijd wel een YBA onder de genomineerden, waardoor de Turner Prize hét platform werd om te discussiëren over de controversiële nieuwe kunst. Die rol maakte de prijs toonaangevend, zo belangrijk zelfs dat zich midden jaren negentig steeds lange rijen voor de Tate Gallery vormden om de kunst van de genomineerden te kunnen zien.

Maar juist deze liaison met de publiciteit heeft de Turner nu ook in zwaar weer gebracht. Toen de YBA-golf voorbij was, bleef de jury nogal krampachtig controversiële kunstenaars nomineren om de discussie gaande te houden. Dat leidde er bijvoorbeeld toe dat de prijs in 2003 werd gewonnen door Grayson Perry, die in de Engelse media gretig werd omschreven als een „pottenbakker in travestie”.

Toch zit de kwaliteit van de huidige Tate-tentoonstelling juist in de scheiding tussen kunst en rumoer. Hoe braaf dit retrospectief op het eerste gezicht ook is, het valt ook op dat achteraf gezien vaak de serieuze, inhoudelijke kunstenaars aan het langste eind trokken. Voor winnaars als Douglas Gordon, Steve McQueen, Chris Ofili, Wolfgang Tillmans en Keith Tyson hoeft de prijs zich bepaald niet te schamen. En zo levert de tentoonstelling soms alleraangenaamste herzieningen op, niet alleen met het werk van McQueen of Tillmans of Simon Starling maar ook met Gillian Wearings prachtige Sixty Minute Silence. In deze film zien we 26 politieagenten in uniform een uur lang stilstaan als in een zeventiende-eeuws groepsportret. Dat levert een bijna Warholiaanse onttakeling op van autoriteit: naarmate de tijd vordert beginnen de politieagenten steeds meer te sniffen, te schuifelen, aan hun hoofd te krabben en naar beneden te staren. En aan het einde slaakt juist de agent die zijn houding het beste volhield een oerkreet die je als toeschouwer de rillingen over de rug doen lopen. Het is de kreet van een overwinnaar.

Turner Prize, A Retrospective 1984-2006. T/m 6 januari in Tate Britain, Millbank, Londen. Dag 10.00-17.50u. Gesloten 24 t/m 26 december. Inf. www.tate.org.uk.