Sociaal vaardig en slinks in het Derde Rijk

De wetenschappelijke ‘fans’ van de omstreden Nobelprijswinnaar Debye zijn tevreden met het NIOD-rapport over zijn carrière in het Derde Rijk. ‘Hij was geen jodenhater.’

Debye poseert in 1937 voor een portret-‘masker’. (Foto NIOD) Peter Debye natuurkundige en Nobelprijswinnaar NIOD

„Wat ik mis in het rapport is dat Debye ook een groot gevoel voor humor had.” En: „Als hij werkelijk over de schreef was gegaan, hadden zijn joodse collega’s in de Verenigde Staten dat toch aangekaart?”

In het Verzetsmuseum in Amsterdam reageerde dinsdag de zaal op de publiekslezing van dr. Martijn Eickhoff over ‘In naam der wetenschap?’. In dat rapport analyseert Eickhoff namens het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie de carrière van de Nederlandse Nobelprijswinnaar Peter Debye in het Derde Rijk.

Debye verwierf daar in 1935 een bijna onaantastbare positie: die van directeur van het Kaiser Wilhelm Institüt für Physik in Berlijn. Dat kwam, volgens het rapport, voor een groot deel doordat Debye als Nederlander een relatieve buitenstaander was. Het maakte van hem een ideale kandidaat om het aanzien van het internationaal georiënteerde onderzoek in Berlijn te herstellen, na het vertrek van joodse hoogleraren in 1933.

Debye zelf ontleende tot 1939 aan zijn buitenstaanderschap een gevoel van ‘comfortabele onbetrokkenheid’, aldus Eickhoff. Maar als wetenschapsbestuurder heeft hij zich, zo blijkt ook uit het rapport, niet kunnen onttrekken aan samenwerking met de nationaal-socialisten. Door tijdgenoten werd hij „met reden een opportunist genoemd”.

Dat Debye opportunistisch was valt niet te ontkennen, zegt Cees Andriesse, emeritus-hoogleraar van de Universiteit Utrecht. „Hij heeft geschipperd.” Maar, zegt Andriesse ook: „Debye hoorde níet bij de kleine groep wetenschappers die echte nazi’s waren. Hij heeft geen joden vervolgd en uit niets is gebleken dat hij een jodenhater was.”

In de zaak-Debye ageerde Andriesse samen met andere Utrechtse hoogleraren tegen het ‘overhaaste’ besluit van de Universiteit Utrecht om het Debye-instituut voor nanochemie zijn naam te ontnemen. Aanleiding daarvoor was een publicatie over Debye in januari 2006 van wetenschapshistoricus Sybe Rispens.

Ook de directeur van het Debye-instituut, Gijs van Ginkel, kwam tegen het besluit in het geweer. „Ik zou Debye geen opportunist willen noemen”, zegt hij na afloop van de publiekslezing. “Een opportunist heeft geen principes. En die had Debye wel.”

Toch zijn Van Ginkel en Andriesse tevreden met het „genuanceerd en afgewogen beeld” dat het NIOD-rapport nu van Debye geeft.

“Ik denk dat het op grond hiervan heel moeilijk wordt om aan te tonen dat het gedrag van Debye laakbaar was”, zegt Andriesse. “Al kun je natuurlijk de zaak op verschillende manieren bekijken.”

Neem de brief die Debye op 9 december 1938 aan alle leden van het Deutsche Physikalische Gesellschaft stuurde. Als voorzitter van deze vereniging riep hij de joodse leden op hun lidmaatschap te beëindigen.

Eickhoff benadrukt in zijn lezing dat Debye dat niet deed in opdracht van hogerhand. Door de brief uit eigen beweging te schrijven, kon Debye wél de autonomie van de vereniging langer in stand houden. Hij gaf dus „aan de continuïteit van het onderzoek” voorrang boven „principiële solidariteit met zijn joodse collega’s”, aldus Eickhoff.

Andriesse: „Ik wil dat betwijfelen. Ik heb me onlangs verdiept in het geval van de uitgeverij Springer-Verlag die in 1938 al zijn joodse medewerkers, tot aan de directeur toe, op straat moest zetten. Er is geen enkele officiële brief te vinden waarin dat wordt geëist, maar uit alles is evident dat men anders repercussies kon verwachten.”

Debye leefde voor de wetenschap, zegt Van Ginkel. „Hij was niet egocentrisch. Hij zag de wetenschap als levensvervulling.” Andriesse haalt een uitspraak van de Duitse wetenschapshistoricus Dieter Hoffman aan: „Debye was een gewone wetenschapper in een ongewone tijd.”

Eickhoff heeft een andere kijk: „Debye was geen wereldvreemde einzelgänger. Hij was flexibel en sociaal vaardig. Hij kon beheerst optreden, autoritair zijn, maar ook slinks. ” En: „Hij ontwikkelde in toenemende mate een survival-mechanisme van meerduidigheid.” Anders gezegd: Debye is een man die zichzelf enerzijds als ‘buitenstaander’ en ‘onschendbare vertegenwoordiger van de wetenschap’ ziet. Maar hij aanvaardt ook dat hij als bestuurder soms met de nationaal-socialisten moet samenwerken.

Pas eind 1939 moet Debye kiezen: hij dreigt zijn Nederlanderschap te moeten opgeven. Én vooral, zijn wetenschappelijke autonomie: na de ontdekking in 1938 van kernsplitsing was zijn Institüt van militair-strategisch belang geworden. Zijn weigering leidt tot een betaald verlof en een vertrek naar de VS, aanvankelijk voor tijdelijk. Tot in 1941 onderhoudt hij in het geheim nog enige contacten met nazi-Duitsland. Vooral om zijn betaald verlof te verlengen; wellicht mede uit loyaliteit, aldus het rapport, met zijn in Duitsland achtergebleven dochter.

Of Debye goed of fout of grijs was, is een vraag die het rapport niet wil beantwoorden, zegt Eickhoff. In de recente discussies over Debye ziet hij in elk geval dezelfde tegenstellingen opduiken als in discussies in en kort na de oorlog. De tegenstrijdige beelden van Debye hangen ongetwijfeld samen met diens ‘meerduidigheid’. „En veel mensen willen nu eenmaal geen krassen op het beeld van een groot wetenschapper.”

Een commissie onder leiding van Jan Terlouw adviseert in januari over de naam van het Utrechtse voormalige Debye-instituut en de Debye-prijs in Maastricht.

    • Margriet van der Heijden