Hoe naïef kan een minister van Onderwijs zijn?

Met één miljard euro wil minister Plasterk (OCW, PvdA) de ondergang van de Nederlandse leraar stuiten.

Dat verandert niets aan de fnuikende schoolcultuur.

Minister Plasterk (OCW, PvdA) presenteerde afgelopen vrijdag zijn plannen voor de versterking van de positie van de leraar. Hij was blij, trots en gelukkig tegelijk. In het televisieprogramma Nova werd hij aangekondigd als „de man van één miljard”. Met dat bedrag wil hij de ondergang van de Nederlandse leraar stuiten, van de basisschool tot het beroepsonderwijs. De vraag is: gaat dat lukken?

Eerst maar enkele feiten. Om te beginnen zijn niet alle leraren er even slecht aan toe. De onderwijzers in het basisonderwijs kregen in de jaren negentig van de vorige eeuw de klassenverkleining. De personeelstekorten zijn daar minder urgent. Bovendien gaan de opleidingen de kwaliteitsproblemen al te lijf. Bij een slecht gemaakte rekentoets sturen de pabo’s een kandidaat naar huis. De reken- en taalarmoede van de onderwijzers mag dan regelmatig de pers halen, er wordt wel aan gewerkt.

De leraar op de middelbare school is er bepaald beroerder aan toe. Hij is hét slachtoffer van bezuinigingen in de vorige eeuw, hij verwerkt veel leerlingen en zijn opleidingsniveau daalt. De nieuwe leraar is steeds minder vaak academisch geschoold; hij komt meestal van een tweedegraads opleiding. Daar ligt het accent op het reguleren van leerprocessen en de reflectie daarop. Deze docent is daardoor vakinhoudelijk matig onderlegd. Eenmaal voor de klas besteedt hij weinig tijd meer aan verdere ontwikkeling in zijn vak.

Maar de minister is ambitieus, hij negeert deze onderlinge verschillen en kiest voor bestrijding van het lerarentekort in alle sectoren.

De financiering van dit ambitieuze beleid kent vele pijlers. Eén daarvan is langer doorwerken door ouderen. Dit voorstel zal op forse weerstand stuiten. De hoge werkdruk is immers de grootste klacht van het onderwijsveld. En met recht, want er is geen leraar in Europa met een eenzelfde productiviteit als de Nederlandse. Het is daarom niet meer dan logisch om na dertig jaar boven de capaciteit produceren de werkbelasting aan te passen aan wat internationaal gezien gebruikelijk is. Afschaffen van deze seniorenregeling veroorzaakt spanningen op de werkvloer. Zo is de kans groot dat de uitval door ziekte zal toenemen.

Natuurlijk, er zitten best aardige maatregelen in het pakket. Een toeslag op werk in moeilijke regio’s en het verkorten van de salarisschalen, dat allebei is verstandig. Maar op het echte probleem – de kwaliteitsdaling van docenten in het voortgezet onderwijs – heeft het plan weinig effect, omdat leraren er geen gebruik van maken.

Een voorbeeld ter illustratie. Een jonge leraar vindt een baan. Hij is voor zijn vakkennis afhankelijk van het schoolboek en geeft saai les. Zowel de minister als zijn school willen hem helpen. De bewindsman komt met een scholingstraject en betaalt de studie aan de universiteit. Dat betekent een paar jaar, naast zijn lestaak, keihard studeren. Na het behalen van het diploma blijft de hoogte van de beloning een zaak van de werkgever.

Maar nu het voorstel van de schoolleider. De leraar kan zich ontwikkelen tot docentenbegeleider. Daarvoor moet hij twee keer een middag naar een cursus ‘coaching’. Eenmaal in functie levert hij een aantal lessen in en zijn salaris schuift automatisch een schaal op. Een andere leuke functie is roostermaker.

De keuze is voor deze leraar niet moeilijk. De functie docentenbegeleider of roostermaker is zijn gratis uitweg uit de leerlingenfabriek.

Het gedrag van leraren en schoolleiders komt niet uit de lucht vallen. Ze komen voort uit de structuren die hen in een bepaalde richting duwen. Ook deze minister lijkt niet te weten wat de verzelfstandiging van onderwijsbesturen en de lumpsumfinanciering voor effect heeft gehad op de schoolcultuur. Die is niet gericht op het leren van kinderen en de ontwikkeling van docenten, maar op overleven in een eindeloze organisatiehiërarchie.

Om daarin verandering te brengen zijn gerichte maatregelen nodig, zoals het (nationaal) vastleggen van een lestaak, een minimaal aantal scholingsuren en een strenge controle daarop.

Maar dat doet de minister niet. Hij handhaaft de bestaande structuren, rammelt met een virtuele geldbuidel en denkt dan dat er ergens in de verte ooit iets verandert…Hoe naïef kan een bewindspersoon zijn?

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist. Hij schreef ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’.

Lees het actieplan ‘Leerkracht van Nederland’ van het Onderwijsministerie via de link op nrcnext.nl/mijnnext/linksuitdekrant/

    • Ton van Haperen