Gokken, gestolen goed en vals geld

Belhuizen fungeren vaak als dekmantel voor illegale praktijken. In Utrecht concentreren veel winkels zich aan de Amsterdamsestraatweg. „Je hebt in die winkels veel mogelijkheden om je niet aan de regels te houden.”

Belwinkels aan de Amsterdamse Straatweg in Utrecht, Lombok Foto’s Evelyne Jacq
Belwinkels aan de Amsterdamse Straatweg in Utrecht, Lombok Foto’s Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Belhuis Telecenter is dicht, de eigenaar van Bel Partner heeft geen zin om te praten, belhuis Ebrar heeft „nergens iets mee te maken”, en Internet Relax heeft geen tijd.

Op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht wemelt het van de belwinkels. De meeste eigenaren praten liever niet over hun winkel. Als je wilt bellen of internetten, prima, maar voor andere dingen is geen tijd. Ze moeten werken om het hoofd boven water te houden, zeggen ze.

Maar lang niet elke belwinkelier houdt het hoofd legaal boven water, blijkt uit controleacties van de gemeente Utrecht, de politie, Belastingdienst en het Openbaar Ministerie (OM). In een jaar controleerden de instanties 36 Utrechtse belwinkels. „Vrijwel alle belwinkels voldeden niet aan de administratieve verplichtingen”, was de conclusie. Verder werden onder andere aangetroffen: illegaal gokken, vals geld, werken met uitkering, ondergronds bankieren en vermoedelijk gestolen goederen.

De gemeente onderzoekt nu of het mogelijk en wenselijk is om eigenaren van een belwinkel een vergunning te laten aanvragen. Zo zouden mensen met een strafblad bijvoorbeeld geen winkel kunnen beginnen. Uit een Amsterdams onderzoek bleek in 2003 al dat belwinkels gevoelig zijn voor criminele activiteiten. Ze vestigen zich vaak in economische zwakke gebieden.

De Amsterdamsestraatweg is zo’n ‘probleemstraat’. Ooit aangelegd door Napoleon om Utrecht met Amsterdam te verbinden, raakte de chique straat vanaf de jaren zestig in verval. Het winkelaanbod werd steeds eenzijdiger, gedreven door kleine zelfstandigen, en dat is het nog altijd. Voornamelijk afhaalzaken, uitzendbureaus, seksshops, reisbureaus, kapperszaken en kleine supermarkten, Turkse, een tropische, een oriëntaalse, een Slavische, een Surinaamse.

En belwinkels dus. Ali Yasar, eigenaar van Teleshop, wil wel iets over zijn winkel zeggen. Hij heeft drie cabines waarin klanten naar verre buitenlanden kunnen bellen. Daarnaast is zijn winkel een avondwinkel. Tegenwoordig tot twaalf uur ’s avonds open. Hij moet wel, want het gaat economisch slecht. Misschien moet hij stoppen.

In de vijf jaar dat hij er zit heeft hij de straat niet zien veranderen. Wel heeft hij gemerkt dat de instanties steeds meer controles houden. „Ik word er gek van. Ik ben in een jaar wel tien keer gecontroleerd. Ze denken dat ik iets verkeerd doe. Misschien zoeken ze illegalen. Maar ik werk hier alleen met mijn neef. Ik weet niet wat ze van me willen.”

In 2004 startte een gemeentelijk ‘straatmanagementteam’ om de kwaliteit van de straat te verbeteren. Daarbij hoorden strengere controles voor ondernemers. Het project duurde twee jaar, maar inmiddels zijn die controles hervat omdat het team bang is voor terugval van de straat. Volgens straatmanagemer Lenneke Berkhout krijgen belwinkels veel aandacht van het team. „Je hebt in die winkels veel mogelijkheden om je niet aan de regels te houden. Als er iets wordt aangetroffen dat niet klopt, dan komen er vaker controles.”

Niet elke belwinkel is een dekmantel, soms is het onwetendheid over de Nederlandse regels die voor een verkeerde boekhouding zorgt. Maar uit onderzoek van de gemeente Amsterdam bleek dat belhuizen de ‘infrastructuur’ hebben voor illegale activiteiten, zoals ondergronds bankieren. Onder andere omdat het makkelijk en goedkoop is om een winkel te beginnen, ze wisselen vaak van eigenaar en er is veel contant geld aanwezig.

„Laat ze maar zo veel mogelijk controleren. Hoe meer controles, hoe veiliger”, zegt de Afghaanse eigenaar van My@Net aan de Amsterdamsestraatweg. Hij wil niet met zijn naam in de krant. Hij staat met flinke tegenzin in zijn belwinkel die hij drie jaar geleden overnam. „Ik kon ook een tijdelijke baan krijgen bij Defensie, maar mijn vrienden en familie zeiden dat ik beter een winkel kon nemen. Achteraf blijkt dat een slechte keuze. Ik heb geen zin meer om 14 uur per dag te werken om rond te komen.”

Terwijl hij praat rekenen klanten een paar kopietjes af, tien minuten internetten of een kort telefoontje. Veel is het niet. Hij is de straat beu. De mensen zijn niet netjes. Met zijn collega’s in de straat bemoeit hij zich niet. Hij weet niet of zij dingen doen die niet mogen, hij in elk geval niet. „Ik wil het weer proberen bij Defensie. Naar Uruzgan, om mijn land op te bouwen. Maar dan moet ik eerst deze winkel goed kunnen verkopen.”