De ontdekking van de huid

Eeuwenlang was de huid niet meer dan de toegang tot de buitenwereld. Tot iemand de huid onder de microscoop legde. Mieneke te Hennepe onderzocht hoe medische afbeeldingen de opvattingen over de huid beïnvloedden. Sophie Broersen

De Westerse huid van de eenentwintigste eeuw wordt geschoren, gescrubd, onderworpen aan nauwkeurige inspectie, ingesmeerd en gedesinfecteerd – door vrouwen en mannen gelijk. Anti-oxidanten, glucosamines en Q10-complexen in dure potjes worden kwistig op de huid gesmeerd. De huid moet schoon, ongeschonden en rimpelloos zijn.

“De huid is voor medici van belang, omdat veel ziektes zich manifesteren aan de buitenkant van het lijf, maar het is ook een sociaal canvas, waar iemands persoonlijkheid en sociale status mee uitgedrukt wordt”, zegt dr. Mieneke te Hennepe, curator en wetenschappelijk medewerker van Museum Boerhaave in Leiden.

Te Hennepe is afgestudeerd in medische biologie en wetenschapsdynamica. Ze promoveerde in september aan de Universiteit Maastricht op haar proefschrift ‘Depicting skin. Visual culture in nineteenth-century medicine’. Een aantal van de afbeeldingen die gebruikt werden voor het proefschrift, komen terug op de tentoonstelling ‘Mijn huid’, die 15 november geopend wordt.

De promotie is onderdeel van een groter Maastrichts project rondom ‘The Mediated Body’ waarbij door filosofen, sociologen en anderen naar relaties tussen het menselijk lichaam en en de persoonlijke ervaring van technologie wordt gekeken. Hierin bestudeerde zij de weergave van het lijf door medische afbeeldingen en hoe die de geneeskunde beïnvloedden en vice versa. In het vraaggesprek legt zij uit hoe microscopie, de hygiënebeweging en de opkomst van de fotografie de waardering van de huid veranderden.

kosmos

Tot en met de achttiende eeuw werd het vel niet van belang geacht. Te Hennepe: “Vroeger werd de huid niet als een apart onderdeel van het lichaam gezien. De poreuze huid was een open verbinding naar de buitenwereld. Zo stond een mens in nauw contact met de kosmos, met het weer.”

De zogeheten ‘humeurenleer’ overheerste nog, het idee dat temperament en lichamelijke toestand werden bepaald door het evenwicht – of gebrek daaraan – tussen de vier lichaamssappen gele gal, zwarte gal, bloed en slijm. Bij ziekte bood een aderlating soms soelaas. Te Hennepe: “De zieke stof moest het lichaam uit, door de poreuze huid.” Pas in de negentiende eeuw verloren deze humores hun plaats in de geneeskunde en werden zij vervangen door een modernere visie, aldus Te Hennepe: “Begin negentiende eeuw kwam in Parijs de ziekteleer, oftewel pathologie, op. Vanaf dan overheerst het idee dat gezond weefsel ziek kan worden en dat zieke en gezonde weefsels te onderscheiden zijn.”

In dezelfde tijd groeide het gebruik van een invloedrijk apparaat: de microscoop. Met één oog door de lens kijkend naar een huidpreparaat, en met het andere oog gericht op het papier naast hen, tekenden de onderzoekers een heel ander beeld dan tot dan toe bekend was. De huid bleek te bestaan uit meerdere lagen, en zenuwen, bloedvaten, talg- en zweetkliertjes te bevatten. Geen open verbinding dus, maar een multifunctionele afgrenzing tussen het lichaam en de buitenwereld.

Hoe waarheidsgetrouw ook: de tekeningen die onderzoekers maakten van wat zij zagen door de microscoop toonden natuurlijk een gemanipuleerd beeld van de werkelijkheid, betoogt Te Hennepe: “Je geeft altijd maar een selectie weer van wat je ziet. Welk deel van het weefselpreparaat geef je weer, welke structuren zijn van belang om te schetsen. Het resultaat is een schematische afbeelding, waarin een beeld van huid wordt weergegeven, dat in werkelijkheid waarschijnlijk nooit gezien is door de microscoop. Een haarwortel en een talgkliertje, netjes naast elkaar, bijvoorbeeld. Door de selectie gaf de onderzoeker aan wat hij van belang vond om te tonen. Het is nu eenmaal handig als elke structuur die er volgens de leraar toe doet, duidelijk zichtbaar is in één tekening.

“Die microscopische afbeeldingen zie je in de negentiende eeuw op allerlei plekken verschijnen. Eerst alleen in boeken en tijdschriften voor medici, maar al snel ook in uitgaves voor de algemene bevolking, zoals encyclopedieën, en via advertenties voor zeep. Zo werd de nieuw opgedane kennis verspreid. Zodat de voorstelling van huid, zoals iedereen die nu heeft, gemeengoed kon worden: een doorsnede, die zogenaamd door de microscoop wordt bekeken. Als een dikke laag, waar een haarwortel en een kliertje en verschillende cellen in zitten.”

Halverwege de negentiende eeuw ontstond een nieuwe trend, vooral in de landen waar industrialisatie en daarmee samenhangende verstedelijking tegen de problemen aanliepen van grote groepen mensen die dicht op elkaar wonen: de hygiëne-beweging. Te Hennepe: “De vervuilde steden groeiden en grote cholera-epidemieën waarden rond. Uit zorg voor de volksgezondheid werd veel aandacht besteed aan grootscheepse hygiënische maatregelen, de aanleg van riolering, voorzieningen voor schoon water. Artsen riepen op tot de bouw van meer badhuizen. Voor arbeiders, overigens, de elite beschikte daar immers al over.”

toiletwaters

Dat was nieuw. ‘Vóór die tijd werd baden, of zwemmen, gezien als gevaarlijk. Ziektes konden immers door de poriën naar binnen komen. Er waren hooguit ‘toiletwaters’ beschikbaar om jezelf mee te reinigen. Aftreksels van runderbeenmerg, bijvoorbeeld. Geen prettig idee, vindt de wetenschapssociologe: “Gatver, en dat moest het mooie in de mens naar buiten brengen!”

Hygiënisten spoorden het volk aan het lichaam te reinigen, om ziektes te voorkomen. Een ontwikkeling die in de achttiende eeuw niet plaats had kunnen vinden, volgens Te Hennepe: “Lichaamsreiniging heeft pas zin op het moment dat je die huid ziet als iets dat je schoon moet houden. Daarvoor had kleding die rol, dat was de grens met de buitenwereld, en niet de huid, die immers geen bescherming vormde.” En zo werd het beeld, van de meerlagige huid met beschermende functie voor het lichaam, zoals men het kende van de nieuwe platen, ingezet in de strijd tegen besmettelijke ziektes.

En die huid moest schoon gehouden worden, want het vermoeden bestond dat het ongezond was vuil te lang op het lijf te laten zitten. “Het inzicht dat ziektes konden worden veroorzaakt door ‘ziektekiemen’ moest nog komen. De moderne associatie van hygiëne met de afwezigheid van bacteriën en virussen speelde nog niet. Het was de tijd van de miasma-theorie, het idee dat een ziekmakende wolk of lucht bijvoorbeeld cholera kon veroorzaken. Dus hoe het werkte, was niet helemaal duidelijk: maar het laagje vuil moest van de huid af, want dat was slecht.”

obelisk

Een verwoestende cholera-epidemie die door Azië en Europa trok in de jaren dertig van de negentiende eeuw, was voor wellicht de bekendste voorvechter van persoonlijke reinheid uit die tijd, reden om in actie te komen. De kleurrijke arts Erasmus Wilson, die niet alleen bekend stond om zijn dermatologische kennis, maar het ook presteerde een obelisk die Egypte had geschonken aan Groot-Brittanië, de Naald van Cleopatra, op eigen kosten naar Londen te laten brengen, had een duidelijke mening over hygiëne.

tijdschrift

Zijn boek ‘A practical treatise on healthy skin’ (Een praktische verhandeling over gezonde huid), verscheen in 1845 en bleef 31 jaar lang verkrijgbaar. In de bestseller, die bedoeld was voor arbeiders, geeft hij adviezen over de juiste manier om de huid te verzorgen, maar pas nadat hij enkele hoofdstukken heeft gewijd aan de anatomie en functie van de huid. De microscopische afbeeldingen die hij daarbij gebruikt, zijn dezelfde die hij ook voor wetenschappelijke publicaties gebruikt.

In 1868 schreef hij in zijn zelf opgerichte dermatologische tijdschrift: ‘Wij kwamen een mooie vrouw tegen, met een mooie teint, die haar gezicht nog nooit in haar leven met zeep had gewassen. (…) We hebben medelijden met haar; want zeep is voedsel voor de huid. Zeep is voor huid, wat wijn is voor de maag, een genereuze stimulans.’

Wilson was dan ook de aangewezen persoon om de noodzaak van reiniging te onderstrepen. In advertenties voor het zeepmerk Pears, die in Engeland overal te zien waren, stonden verder vooral gedistingeerde, schone vrouwen of onverzorgde straatschoffies afgebeeld. Dat juist de arts Wilson in de populaire campagne wordt opgevoerd, geeft aan dat de medische benadering van huidverzorging voor de algemene bevolking de norm was geworden.

Terwijl de zeepadvertenties ‘op elke straathoek in Londen’ te zien waren, raakten artsen enthousiast over de mogelijkheden van de nieuwste afbeeldingstechniek: fotografie. De huidspecialisten waren de eerste medici die foto’s namen van patiënten. Ingenomen met de grote precisie in weergave en de levensechte localisatie en vorm van afwijkingen, moesten de wetenschappers wèl een oplossing zien te vinden voor een belangrijk nadeel van fotografie: de afwezigheid van kleur.

Te Hennepe: “Het zwart-wit-beeld was niet realistisch, de kleur was – en is – een belangrijk aspect van huidafwijkingen. Om over te brengen hoe een ziekte er echt uitzag, werden de foto’s dus ingekleurd. De oude techniek werd met de nieuwe verenigd. Een ingekleurde foto gaf een beter beeld van de werkelijkheid dan een zwart-witfoto.” Op de vraag of die benadering vergelijkbaar is met het tegenwoordige ‘photoshoppen’, de techniek om digitale foto’s bij te werken en waar regelmatig vraagtekens bij worden gezet, zegt Te Hennepe: “Het maken van een beeld is altijd een uitsnede van de werkelijkheid. Wat er buiten de foto gebeurt, zie je ook niet. In plaats van te denken over de vraag ‘hoe was het toen echt’ vind ik het interessanter om te bedenken wat voor rol een afbeelding speelde in de tijd dat die gemaakt werd.”

De vaak ingekleurde foto’s in het proefschrift zijn prachtig en lijken maar weinig op de foto’s die tegenwoordig in medische tijdschriften staan, met een kil belicht lichaamsdeel voor een neutrale achtergrond. Toen werd een vrouw met rode vlekken over haar borst en buik, leunend tegen een sofa vereeuwigd, of vrouwen met geelgekleurde korsten in het gezicht, in hun mooiste kleding en met sieraden behangen. Te Hennepe: “De fotografie was tot die tijd het terrein van portretfotografen en die bepaalde de norm. Je ziet ook rekwisieten op de foto’s, die bij portretten werden gebruikt, zoals speelgoed voor kinderen, of een stoel om een bepaalde houding aan te nemen.”

status

Een nadeel van de sfeervolle foto’s was dat er informatie uit kon worden afgelezen, die niet bijdroeg tot betere kennis van de afwijking, maar wel over de sociale status van de persoon. “De fotografische gebruiken van die tijd waren moeilijk te verenigen met de eis die werd gesteld aan de geneeskundige afbeelding, namelijk dat het lichaam als object wordt bestudeerd. Dat vergde een totaal nieuwe benadering in de fotografie.”

Een ander aspect was dat van herkenning. Te Hennepe vertelt een bekende anekdote: “Een Amerikaanse dermatoloog, werd hij na afloop van een lezing aangesproken door de man die het projectie-apparaat had bediend. Op de foto’s van mensen met huidziektes, had hij zijn schoonzus herkend.”

De fotografie kwam dus met een paar ongemakken, waar niet direct een oplossing voor was. De platen in het proefschrift, tonen de ontwikkeling tot aan het einde van de negentiende eeuw, waarbij de genitaliën van de zieken worden bedekt en met soms weinig fijnzinnige methodes de anonimiteit wordt gewaarborgd. Zoals een vrouw met ernstige en mutilerende afwijkingen aan de benen, waarbij achteloos een doek over het hoofd geworpen lijkt te zijn. “Pas aan het begin van de twintigste eeuw kwamen standaarden voor medische fotografie tot stand. Anonimiteit, alleen het lichaamsdeel van belang wordt afgebeeld, voor een grijze achtergrond.”