‘De buitenwereld is bang voor ons’

Ieder op hun eigen wijze proberen Johan Cruijff en Richard Krajicek jongeren aan het sporten te krijgen. Een dubbelgesprek. „De grootste schoffies houden zich vaak het beste aan de regels.”

Johan Cruijff (links) en Richard Krajicek: „Aan sport besteden we op school nauwelijks aandacht, maar ons hele leven blijft het een issue.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold foto rien zilvold
Johan Cruijff (links) en Richard Krajicek: „Aan sport besteden we op school nauwelijks aandacht, maar ons hele leven blijft het een issue.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold foto rien zilvold Zilvold, Rien

Broederlijk zitten ze naast elkaar, twee Nederlandse sporticonen. Ruim 25 jaar verschillen ze in leeftijd. Uit hun lichaamstaal en de manier waarop ze elkaar aankijken en aanvoelen spreekt wederzijdse bewondering. Twee mannen doordrenkt met sport, Johan Cruijff (60) en Richard Krajicek (35). Ieder op hun eigen wijze willen ze hun passie overbrengen, op gehandicapte kinderen, op allochtone kinderen en op kinderen in achterstandswijken. En op de politiek, die zo traag blijft reageren. Deze week werd in het Haagse stadsdeel Laak een gezamenlijk project geopend, een Krajicek Playground en een Cruyff Court.

Hoe vaak komt het voor dat jullie zo naast elkaar zitten?

Cruijff: „We lopen niet de deur bij elkaar plat. Maar bijzonder is deze bijeenkomst ook niet. Richard en ik hebben elkaar bij diverse gelegenheden ontmoet.”

Krajicek: „Enkele jaren geleden heb ik Johan geïnterviewd voor mijn boek Honger naar de bal (een interviewbundel waarin topsporters praten over hun passie, red.) Tot twee keer toe, weet je nog?”

Cruijff: „Zeker. Maar ook als topsporters elkaar nooit ontmoet hebben, weten ze van elkaars bestaan. Je leest wel eens wat. Hoort wel eens wat. De verwantschap is groot.”

Krajicek: „Onze eerste ontmoeting dateert van begin jaren negentig. Johan was coach in Barcelona. Ik speelde een tennistoernooi in die stad. Zijn selectie overnachtte in het hotel waar ik die week ook was ondergebracht. Toen we elkaar in de lobby tegen het lijf liepen, maakten we automatisch een praatje.”

Herkennen jullie veel in elkaar?

Er volgt een pauze. Ze kijken elkaar aan. Cruijff doorbreekt de stilte. „Door hun continue streven naar verbetering – in zowel fysiek als mentaal opzicht – worden sporters naar elkaar toe getrokken.”

Krajicek: „Johan en ik zijn van een andere generatie. Toen ik opgroeide was hij mijn idool. Vooral zijn nadagen bij Feyenoord kan ik me nog goed herinneren. Ik moet een jaar of twaalf, dertien zijn geweest toen Johan Feyenoord naar het eerste kampioenschap in tien jaar leidde.”

Een Feyenoordfan?

Krajicek: „Eh, nee. Mijn sympathie gaat meer naar Ajax uit. Maar zoals ik al zei: ik keek als jongetje op tegen Johan. En als je je idool later uit hoofde van je werk spreekt, is dat best spannend.”

Na jullie sportcarrière hebben jullie ieder een eigen foundation opgericht die kinderen aan het sporten wil krijgen. Waarom?

Krajicek: „Ik heb mijn foundation opgericht in het jaar nadat ik Wimbledon had gewonnen (1996, red.) Steeds vaker bekroop mij in die tijd het gevoel dat kinderen te weinig bewegen. Sporten is een sluitpost, met name in achterstandsgezinnen. Alle aandacht gaat naar voeding, huisvesting, scholing en medische voorzieningen uit. Met mijn foundation probeer ik daar verandering in te brengen. Door veldjes aan te leggen in probleemwijken. En de omgeving daar vervolgens bij te betrekken. Niet alleen buurtbewoners, maar ook leraren en wijkagenten. Zonder hun medewerking lukt het niet.”

Cruijff: „Anders dan in Engeland en de Verenigde Staten worden kinderen in Nederland niet op school aangemoedigd om te sporten. Na een uurtje rekenen volgt geen uurtje basketballen. Sporten is en blijft erbij hangen. Met mijn foundation probeer ik dat gat te vullen. Of mijn voetbalperiode in Amerika mij heeft geïnspireerd? Deels wel, ja. Toen ik in Washington en Los Angeles speelde was het heel normaal om clinics aan schoolkinderen te geven. Dat hoorde er gewoon bij.”

Krajicek: „De school moet een spilfunctie krijgen in het sportieve bestaan van kinderen. De school is vertrouwd. Daarom bouwen wij regelmatig schoolpleinen om tot playground. Na de les ga je sneller een uurtje sporten als je niet eerst een heel stuk hoeft te reizen.”

Uit onderzoek blijkt dat het aanleggen van sportveldjes alleen zin heeft als ze ook beheerd worden. Waar halen jullie de mankracht vandaan?

Cruijff: „Mankracht is altijd wel te vinden. Waar het om gaat is dat je van tijd tot tijd toernooien organiseert. En dat iedereen zich aan de veertien regels houdt.”

Veertien regels?

„De veertien regels die kinderen op de veldjes moeten naleven”, schiet een medewerkster van de Cruyff Foundation te hulp. „Regels over zaken als integratie en samen spelen.”

Krajicek tegen Cruijff: „Die moet je uit je hoofd kennen, Johan!”

Cruijff: „Nou goed, gedragsregels. En weet je wat het leuke is? Dat de grootste schoffies zich vaak het beste aan die regels houden. Kinderen willen graag weten wat ze wel en niet mogen. Als dat op papier staat, gaan ze zich totaal anders gedragen.

Krajicek: „Begeleiding en toezicht zijn cruciaal. Als een veldje er vervallen uitziet, gaat het snel achteruit. Dan worden er in no time stenen door de ruiten van omliggende huizen gegooid. Ik doe dit werk nu tien jaar. En in die tien jaar is de aandacht steeds meer van hardware – de bouwmaterialen – naar software – de inhoud – verschoven. Momenteel werken er vanuit regionale opleidingscentra veertig stagiairs op onze velden. Ze kunnen een scholarship verdienen om zich verder te bekwamen. Mijn ervaring is dat je beter een lelijk veldje met goede leiding kunt hebben, dan een prachtig veld zonder leiding.”

Het Mulier instituut doet onderzoek naar de maatschappelijke effecten van de Cruyff Courts. Wordt er ook onderzoek verricht naar de Krajicek playgrounds?

Krajicek: „Aan de Universiteit van Utrecht wordt binnenkort een endowed chair (een gesponsorde leerstoel, red.) geïnstalleerd. Paul Verweel, hoogleraar bestuur- en organisatiewetenschappen, gaat de komende vijf jaar onderzoeken hoe het sociale kapitaal in achterstandswijken kan worden versterkt met behulp van onze veldjes.”

Een van de problemen bij de Cruyff Courts is dat ze gedomineerd worden door jongens. Meisjes zijn er nauwelijks te vinden.

Cruijff: „Ach ja, dat heeft met de achtergronden van die jongeren te maken. Geef zoiets de tijd. Dat kun je niet forceren.”

Hoe zijn de contacten met de gemeenten waar de veldjes worden aangelegd?

Krajicek: „Die worden met de dag intensiever. Vroeger werd er bij de wijkplanning nauwelijks rekening met groenvoorziening gehouden. Nu wordt veelvuldig naar onze mening gevraagd en worden in de bouwplannen speelpleintjes opgenomen. Gemeenten denken met ons mee en dragen ook financieel steeds meer bij.”

Jullie zetten de toon met jullie stichtingen. Daarna volgden Bas van der Goor, Clarence Seedorf, Dirk Kuijt, Frank Rijkaard en Johan Neeskens. Lopen jullie elkaar nooit voor de voeten?

In koor: „Néééé.”

Cruijff: „Donderdag hebben onze stichtingen in het Haagse Laak naast elkaar een speelveld geopend. Maar ik werk ook samen met Neeskens en Van der Goor. Van concurrentie is geen sprake.”

In Amerika werken sporthelden als Andre Agassi, Lance Armstrong, Muhammad Ali en voetbalster Mia Hamm samen in ‘Athletes for hope’, een filantropische instelling die ‘positieve verandering op gang wil brengen’. Zijn we daar in Nederland ook rijp voor?

Krajicek: „Door al die foundations onder één noemer te brengen? Ik ben daar geen voorstander van. Neem Johan en mij. Onze stichtingen hebben veel raakvlakken, maar er zijn ook verschillen. Hij richt zich met voetbalveldjes vooral op gehandicapte kinderen. Wij mikken met onze multifunctionele veldjes op een bredere doelgroep. Zijn veldjes worden door heel Nederland aangelegd, die van ons in aandachtswijken. Waarom zou je daar één lijn in willen aanbrengen?”

Cruijff: „Iedereen moet een eigen uitgangspunt hebben. En waar je samen kan werken, werk je samen.”

Krajicek: „Ik geloof overigens niet dat je sporters kunt verplichten om zich maatschappelijk in te zetten. Nee, óók niet omdat ze steeds meer verdienen. Je doet het met je hart, of je doet het niet.”

Hoe is de respons vanuit Den Haag?

Cruijff: „Daar komt eindelijk verbetering in. Vooral met de laatste twee staatssecretarissen hebben we veel contact gehad. In de politiek begint men eindelijk door te krijgen dat je met sport veel maatschappelijke problemen kunt tackelen, op een relatief simpele en goedkope manier.” Hij veert op. „We gebruiken nog geen derde van de kennis die we in het onderwijs moeten opdoen. Aan sport besteden we nauwelijks aandacht, maar ons hele leven blijft het wel een issue. In het onderwijs wordt gedacht aan de toekomst, maar kinderen denken aan vandaag, ze leven bij de dag en denken niet dertig jaar verder. In deze redenering zitten ongetwijfeld tien fouten. Maar toch. Wat zijn de basisproblemen in onze maatschappij? Gebrek aan respect. Overgewicht. Gebrekkige integratie. Al die problemen kun je met sport te lijf gaan.”

Richard heeft aangegeven dat hij over enkele jaren de politiek in wil. Ook iets voor jou?

Cruijff: „Ik moet er niet aan denken!”

Krajicek: „Als ik minister van Sport word, fungeert Johan als mijn klankbord.” Cruijff leunt achterover en glimlacht mysterieus.

Krajicek: „Kijk, dat we een minister van sport nodig hebben is duidelijk. Sport vormt een wezenlijk onderdeel van onze maatschappij. Dat mag je niet meer onderbrengen in de portefeuille van een staatssecretaris. Er moet een apart ministerie komen, met een eigen budget en medewerkers. Niet nu, niet bij de volgende kabinetsperiode, maar wel daarna. Waarom ik mijzelf geschikt acht voor het ambt van minister? Tegen die tijd is onze stichting een groot kenniscentrum. Ik denk dat ik er dan klaar voor ben.”

Cruijff: „Sport is het grootste bedrijf ter wereld. Er zijn miljarden mee gemoeid. Maar het is ook een bedrijf zonder beslissingsbevoegdheid. Dat is toch te gek om los te lopen?”

Sport hangt er een beetje bij.

Cruijff: „Nee, het is meer dan dat. Ze zijn bang voor ons.”

Wie zijn ‘ze’?

Cruijff: „De buitenwereld. Sporters stellen hoge eisen aan zichzelf. En ze zijn gewend kritiek te incasseren. Van hun coaches bijvoorbeeld. Dag in, dag uit. Hoeveel mensen zijn daartegen bestand?”

Krajicek: „Niet alleen kritiek van hun coaches, ook van de pers.”

Cruijff: „Het is gewoon keihard.”

Sporters houden hun omgeving een spiegel voor. En dat wordt hen niet altijd in dank afgenomen.

Cruijff lacht: „Zo is het. Als wij een probleem constateren, wordt dat meteen bespreekbaar gemaakt en onderzocht. Daar kan de politiek een puntje aan zuigen.”