Leve zelfrelativering en twijfel , dat is de kern van onze identiteit

We moeten een zwakke, relativerende visie op onze nationale identiteit verdedigen tegen de harde identiteiten die haar bedreigen.

Dick Pels

Voorzitter van de linksliberale denktank Waterland. Auteur van ‘Een zwak voor Nederland’ en ‘De economie van de eer’.

De integratie van nieuwe groeperingen in de Nederlandse samenleving dwingt tot zelfonderzoek en raakt volgens Paul Scheffer de kern van onze instituties en vrijheden. Migranten kunnen alleen worden uitgenodigd en uitgedaagd door een samenleving met een sterke cultuur van burgerschap, die haar grondslagen wil verhelderen en haar erfgoed wil overdragen, en die een idee heeft over wat wezenlijk is in haar cultuurgeschiedenis. Dat betekent dat er een einde moet komen aan de ‘zelfrelativering’ van de multiculturele elite. Scheffer gebruikt niet het bij conservatieven geliefde scheldwoord ‘zelfhaat’, maar hij komt er dicht bij.

Maar wat als de gedeelde normen en burgerschapscompetenties die door de meerderheid en de minderheden moeten worden aangeleerd en gedeeld, juist die zelfrelativering als kern hebben? Wat als juist dit individualisme en ‘relativisme’ de trots zijn van onze ‘leidende’ democratische cultuur? Scheffer benadrukt terecht dat het vermogen tot zelfkritiek het belangrijkste element is van de open samenleving die we tegen haar vijanden moeten verdedigen. Maar als dit democratisch ‘relativisme’ het wezen uitmaakt van onze cultuurgeschiedenis en ons liberaal-democratisch erfgoed, dan is het ook een normatieve eis die we aan alle culturen in dit land moeten stellen.

Het lijkt paradoxaal dat juist dit idee van een ‘zwakke’, zelfkritische identiteit de fundering kan leveren voor een sterke burgerschapscultuur. Maar bij nader inzien is er geen sprake van een contradictie. Het relativisme kan wel degelijk actief, oordeelsvaardig en weerbaar zijn, en laat daarmee het klassieke ‘onverschillige’ cultuurrelativisme en multiculturalisme achter zich.

De door Scheffer bepleite godsdienstvrijheid is daarvan een goed voorbeeld. Het gaat in beginsel om het individuele recht om te geloven en om van het geloof af te stappen, en veronderstelt dus openheid voor het debat en het vermogen om de eigen tradities kritisch te herzien. Voorzover de islam en andere religies die zelfkritiek ontberen, de individuele gewetensvrijheid beperken en een collectivistisch afgedwongen waarheid prediken, moeten zij terecht worden bestreden.

Maar hetzelfde geldt natuurlijk voor de seculiere religie van de nationale identiteit. Zodra die als een verplichtende collectivistische waarheid gaat gelden (één volk, één vaderland), moeten we ons daar even hard tegen keren. ‘De’ Nederlandse identiteit bestaat net zo min als ‘de’ islam. Een ‘zwak’ persoonlijk godsgeloof waarvoor men zelf de verantwoordelijkheid neemt (‘mijn islam’) is op dit punt vergelijkbaar met een ‘zwak’ persoonlijk geloof in de natie (‘mijn idee van Nederland’). Zodra de nationale traditie, geschiedenis en identiteit worden voorgesteld als een monolitisch blok met een vaste betekenis die voor iedereen verplichtend geldt, wordt het idee van het open democratische debat op dezelfde manier uitgehold.

Het vreemde is nu dat Scheffer zoveel begrip en respect toont voor de onvrede van ‘gewone Nederlanders in de oude wijken’ dat hij geneigd is hun cultuurnationalistische sentimenten te vergoelijken. Het is ongerijmd dat hij wél een zelfkritische houding verwacht van de multiculti’s en de moslims, maar veel minder van de onzekere autochtone Nederlanders die bescherming zoeken in hun nationale identiteit. Daarmee neemt hij zijn eigen cultuurkritiek onvoldoende serieus, en doet hij een knieval voor het fortuynistisch populisme.

Symptomatisch voor die asymmetrie was zijn harde reactie op Máxima’s relativerende uitspraak over de Nederlandse identiteit. De arme prinses werd geconfronteerd met een onzalige coalitie die reikte van Geert Wilders, de VVD, het CDA minus Balkenende en Hirsch Ballin, de Telegraaf, de Bond van Oranjeverenigingen tot en met rechtse én linkse publicisten zoals Bart Jan Spruyt, Sylvain Ephimenco, Stephan Sanders, René Cuperus en dus ook Paul Scheffer. Diens reactie verschilde niet wezenlijk van die van de neoconservatieve Opinio-maker Spruyt, die Máxima hekelde vanwege haar keuze voor het ‘elitaire kosmopolitisme’ van de multiculturele regentenklasse.

Scheffer noemde haar „hooghartig” door zich te afficheren als wereldburger, want dan snapte je niet „dat het overgrote deel van de Nederlanders heel erg aan een plek is gebonden, door geschiedenis, taal, werkgelegenheid, huwelijkspatronen. [...] Omdat zij veel airmiles heeft gespaard is ze een wereldburger. Ze heeft in allemaal gated communities gewoond.” Eigenlijk zegde ze daarmee het vertrouwen op in dat deel van de bevolking dat had gestemd op Wilders, Verdonk of Marijnissen: „Tegen eenderde van de bevolking zegt ze: jullie horen er niet meer bij.” (De Pers 5 oktober).

Scheffers verdediging van de gewone Nederlanders tegen Máxima heeft zowel een strategische als een principiële kant. Als je geen begrip kunt opbrengen voor hun behoefte aan culturele bescherming, historische continuïteit en gemeenschapszin, wordt hun onbehagen gemakkelijk door populistische nationalisten gekaapt.

Maar om dat begrip te kunnen opbrengen, moet je zoals Scheffer ook zélf geloven in een meer verplichtende notie van nationale identiteit. In plaats van het idee dat we ‘allemaal nieuwkomers’ zijn en ‘het land van iedereen’ is, is er volgens hem sprake van een historisch gevormde eigen stijl van samenleven, een „contract tussen de generaties” dat niet iedereen zomaar insluit en dat de deelnemers bepaalde verplichtingen oplegt.

Deze contractgedachte vormt de spil van Scheffers boek. Zij verwoordt een nationaal-historisch gemeenschapsdenken dat men in scherpere vorm ook herkent bij neoconservatieve denkers zoals Spruyt, Kinneging en Verbrugge. Ook Verbrugge vindt dat we principieel moeten buigen voor de ‘wijsheid’ van de traditie, de historisch gegroeide instituties en de ‘ontzagwekkende’ gemeenschap waarin individuen zijn ingebed en die aan hen voorafgaat. Bij hem raakt het gemeenschapsdenken zelfs aan een vorm van ‘volksdenken’ of nationaal-populisme, dat er niet voor terugschrikt om te spreken van de ‘bloed- en aardeband’ die in het (Nederlandse) staatsburgerschap besloten ligt. Gemeenschap, cultuur, natie en volk zijn gebiedende essenties waaraan de vrijheid van de burger in laatste instantie ondergeschikt is.

Maar men kan zich afvragen of het de traditie of de geschiedenis zelf zijn die spreken en verplichtingen opleggen, of dat het gaat om een woordvoerder die namens deze grootheden spreekt, en die zijn interpretatie (zijn ‘wijsheid’) voor ons allen verplichtend probeert te maken. Het idee van een ‘contract tussen de generaties’ suggereert ten onrechte dat we er op één of andere manier allemaal mee hebben ingestemd. Maar de enige die ‘er bij is geweest’ is natuurlijk de woordvoerder, die net doet alsof zijn interpretatie van de geschiedenis, de traditie en de gevestigde instituties door een objectieve, bovenpersoonlijke werkelijkheid wordt gedicteerd. ‘In weerwil van een gemakkelijk beleden openheid tegenover de wereld behoudt het erfgoed zijn eigen zeggingskracht’, aldus Scheffer. Maar dat erfgoed kan alleen iets ‘zeggen’ als woordvoerders zoals Scheffer het met hun plechtstatige woorden kracht bijzetten.

Volgens Scheffer kunnen we migranten en hun kinderen sterker verplichten tot deze samenleving doordat we onszelf sterker verplichten tot het land waar we deel van uitmaken. Maar dat ‘land’ is voor velerlei interpretaties vatbaar, en bestaat in feite uit een eindeloos gesprek over wat het precies voorstelt. Dat Nederland in die zin een ‘onduidelijk land’ is, vindt Scheffer een geweldig nadeel voor de integratie. Maar waarom kunnen we dit niet als een voordeel zien? Zelfrelativering en productieve twijfel zijn kernelementen van onze open democratische cultuur. Dat houdt in dat we juist een zwakke, relativerende visie op onze nationale identiteit moeten verdedigen tegen de harde identiteiten die haar bedreigen.

Die hardheid schuilt niet alleen in de nationale trots van veel Turken en Marokkanen, of in de onaantastbare eer van de Koran en de Profeet, maar ook in het nieuwe Nederlandse nationalisme. Dat zoveel mensen in Nederland houvast en zekerheid ontlenen aan een gezond vaderlands volksgevoel betekent nog niet dat men moet overlopen van begrip ervoor.

Het sociaal-democratische verheffingsideaal dat Scheffer nieuw leven wil inblazen, kan niet alleen van toepassing zijn op migranten en moslims. Het moet ook worden gericht op autochtone Nederlanders die wegkruipen in een nostalgisch nationalisme dat met zijn rug naar de Europese en pluriforme toekomst staat.