Zwakke rechters

Het advies om de strafzaak tegen de Haagse verpleegkundige Lucia de B. te heropenen is goed onderbouwd, scherp beargumenteerd en daarom schokkend in zijn conclusie. In deze zaak zijn ernstige gebreken in de rechtspleging aan het licht gekomen, die de zaak Lucia de B. overstijgen. Het valt te prijzen dat het Openbaar Ministerie (OM) heeft gekozen voor een openlijke analyse van het eigen handelen. Daardoor kunnen fouten worden herkend en vervolgens hersteld. Daarmee is sinds het debacle in het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord (2000) ook al een begin gemaakt.

De formele reactie van de leiding van het OM maandag gaf van dit besef overigens nog geen blijk. Het rapport werd gediskwalificeerd als ‘tussenstand’. Dat is alleen de procedurele werkelijkheid. De Hoge Raad moet nog over het advies beslissen. Maar het is niet de maatschappelijke werkelijkheid. Het rapport zaait ernstige twijfel over de competentie van justitie. De opsporing en vervolging waren zo eenzijdig en onkritisch dat rechters in alle echelons zich erdoor lieten meeslepen. Ook de interne correctiemechanismen van beroep en cassatie hebben dus gefaald.

Het is moeilijk vast te stellen welk deel van de rechterlijke macht zich dat het meest zou moeten aantrekken. Het OM, dat de zaak verkeerd onderzocht en presenteerde. Of de rechter die er niet doorheen prikte. Het lijkt er nu op dat Lucia de B. zes jaar onschuldig heeft vastgezeten. Het minste wat justitie nu kan betrachten, is spoed bij de herziening.

Het ware beter geweest als het parket zich bepaalde conclusies al meteen openlijk had aangetrokken. Daarvoor gaf de litanie aan tekortkomingen ‘voor een deel van fundamentele aard’ meer dan voldoende aanleiding. Het advies is, juist door de zorgvuldige werkwijze en de deskundige begeleiding, zó gezaghebbend dat het nauwelijks voorstelbaar is dat de Hoge Raad het zou negeren.

Achteraf kan worden geconstateerd dat het OM een pragmatische oplossing heeft gevonden om dwalingen te corrigeren. Dat kan niet gezegd worden van de rechterlijke macht. De Commissie mocht zich om ‘staatsrechtelijke redenen’ niet uitspreken over de werkwijze van de rechter. Daar zit het ernstigste probleem. De rechter blijkt inhoudelijk zwak te staan tegenover getuige-deskundigen bij technische materie, en hij blijkt fouten in complexe opsporingsonderzoek niet te overzien. Ook was men onvoldoende kritisch op bewijsmiddelen.

Rechters zijn niet gewend extern aan zelfreflectie te doen. Naar verluidt trouwens ook niet intern. Toch is het voor het vertrouwen van het publiek in de voor het leven benoemde rechter van cruciaal belang dat diens competentie is gegarandeerd. Daarbij hoort erkenning en correctie van gemaakte fouten. Hoe gaat de zittende magistratuur orde op zaken stellen? Welke stappen worden gezet om specialisatie te bevorderen, de afhankelijkheid van getuige-deskundigen te verminderen en meer niet-juridische kennis de raadkamer in te halen? Is de Hoge Raad bereid herzieningen vaker toe te laten? Er ligt een aantal zeer pertinente vragen op tafel, dat rechtstreeks raakt aan het vertrouwen in de rechter. Een antwoord is dringend gewenst.