Welk kamp moeten we kiezen?

nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (24) bespreekt hier elke week een dilemma.

Om te beginnen: doet de ‘toon’ in een debat ertoe?

Aan de ene kant van het islamdebat staan de zogenoemde ‘toonmatigers’ als J.A.A. van Doorn, Sjoerd de Jong, Frits Abrahams en de Pvda-fractie. Zij hebben herhaaldelijk hun beklag gedaan over de onfatsoenlijke of te harde toon van islamcritici. Vrijheid van gedachtegoed prima, maar is het nodig een gelovige bevolkingsgroep consequent weg te zetten als „achterlijk” en haar profeet als „pedofiel” of „barbaar”? Juist de vrijheid die de islamcritici zeggen voor te staan, wordt daarmee in een kwaad daglicht gesteld, menen de toonmatigers. En het beoogde doel – de emancipatie van moslims – wordt juist voorbijgestreefd.

Aan de andere kant staan de principiële vrijdenkers als Paul Cliteur, Afshin Ellian, Geert Wilders en de VVD-fractie. Zij noemen de ‘toon’ van het debat irrelevant. Of eerder nog, de ophef over de toon is misschien zelfs wel het probleem. Vrijheid van gedachtegoed en meningsuiting staan boven gevoeligheden van mensen; het is het goed recht van bijvoorbeeld ex-moslim Ehsan Jami om God of een profeet een „barbaar” te noemen. De ophef die het teweegbrengt, bevestigt volgens de vrijdenkers juist het probleem met de islam, namelijk dat kritiek nauwelijks getolereerd wordt.

De vraag is: welk kamp heeft gelijk?

Moet er meer rekening worden gehouden met de gevoelens van (gelovige) mensen? Of is een harde toon niet juist nodig om duidelijk te maken dat iedere overtuiging mag worden bekritiseerd, of dat nu als kwetsend wordt ervaren of niet?

Het antwoord hangt, naast uw politieke voorkeur, af van het soort moraliteit dat u voorstaat. Is uw morele denken verwant met het empathische ethics of care of met het principiële ethics of justice?

Het onderscheid tussen deze twee stromingen wordt nog niet zo lang gemaakt. Ze kwam voor het eerst aan het licht in het boek In A Different Voice (1982) van de Amerikaanse feministe Carol Gilligan. Zij beschrijft daarin een psycho-ethisch experiment, waarin jongens en meisjes van rond de zes jaar oud een ethisch dilemma kregen voorgelegd. Het dilemma is kort samengevat: een vrouw is dodelijk ziek; ze kan alleen gered worden door een bepaald soort medicijnen, die maar liefst 2000 dollar kost. Haar man heeft niet genoeg geld om de medicijnen te kunnen betalen. De apotheker weigert zijn prijs te verlagen. Moet de man de medicijnen stelen?

Gilligan constateert een opvallend verschil tussen de antwoorden van de jongens en die van de meisjes. De meerderheid van de jongens redeneert principieel. Hun antwoorden variëren van ‘ja, hij moet de medicijnen stelen, want het leven is meer waard dan geld’ tot ‘nee, hij moet de medicijnen niet stelen, want stelen is slecht.’ Dit duidt op een rationalistische moraal, waarbij negatieve consequenties – de apotheker wordt beroofd, de vrouw gaat dood – ondergeschikt worden gemaakt aan het gehanteerde principe – ‘het leven is meer waard dan geld’ of ‘stelen is slecht’.

De meisjes geven daarentegen blijk van een ander moreel bewustzijn. Zij trachten vaker dan de jongens het ethische dilemma op te lossen door haar te ontwijken. Zij zeggen: ‘De man moet de apotheker het probleem voorleggen en de medicijnen gratis proberen te krijgen’ of ‘de man moet naar de bank gaan en een lening afsluiten.’ Dit morele denken staat haaks op dat van de jongens: het is niet principieel, maar empathisch. De consequenties – de moeder redden, de apotheker niet beroven – krijgen voorrang boven één of ander universalistisch principe.

Zo onderscheidde Gilligan twee soorten ethiek: het principiële, meer mannelijke ethics of justice en het empathische, meer vrouwelijke ethics of care. Deze twee denkwijzen zijn ook te onderscheiden in het islamdebat. De toonmatigers redeneren empathisch; de consequenties – het kwetsen óf emanciperen van moslims – zijn leidraad, niet het principe van vrijheid van meningsuiting of godsdienst. De vrijdenkers redeneren daarentegen principieel; kwetsend of niet, meningsvrijheid gaat voor.

Met het onderscheid is overigens nog geen inhoudelijk ‘gelijk’ aangetoond: dat is een politieke aangelegenheid. Sterker nog, je zou zelfs het onderscheid kunnen omdraaien door te stellen dat de toonmatigers juist principieel zijn; dat het rekening houden met (de gevoelens van) anderen een principe is. Gilligan is hoe dan ook van mening dat principieel denken niet juister of beter is dan empathisch denken en vice versa. Beide denkwijzen schieten namelijk op ieder hun eigen manier tekort.

Zo zullen de jongens zeggen: ‘Wat nu als de apotheker voet bij stuk houdt en de bank geen lening geeft?’ Hun kritiek is: rekening houden met de mening van anderen, maakt je moreel afhankelijk – en moraal behoort onafhankelijk te zijn. Immers, iets is gerechtvaardigd of niet. De jongens zijn ethische rationalisten: goed en kwaad bestaan los van de contingente werkelijkheid.

De meisjes zullen het daar niet mee eens zijn. Zij zullen zeggen: ‘hoe kun je nu iets goed doen door iets fout te doen?’ of ‘het dilemma heeft meer dan één oplossing.’ Hun kritiek is: principes zijn prima, zolang ze het gewenste effect maar hebben. De meisjes zijn ethische pragmatisten: goed en kwaad bestaan niet los van de contingente werkelijkheid.

Om te weten aan welke kant u in het islamdebat staat, kunt u zich afvragen wat voor u belangrijker is: het principe of het effect? Geen nood: uw antwoord zegt niets over uw geslacht. Dat hebben de heren ‘toonmatigers’ bewezen.