Strijdende drugsbaron

De Birmese drugsbaron Khun Sa, ooit een van de meest gezochte mannen ter wereld, is vrijdag gestorven in Rangoon. Zelf noemde hij zich vrijheidsstrijder.

Narcoticabestrijders in Washington noemden hem de Prins des Doods, zelf afficheerde de vrijdag gestorven Birmese drugsbaron Khun Sa zich liever als vrijheidsstrijder voor het Shan-volk in het oosten van het land. Feit is dat de opium die tot zijn ‘pensionering’ in 1996 onder zijn gezag in Oost-Birma werd geproduceerd lange tijd goed is geweest voor 60 procent van de heroïne in het Westen.

Khun Sa, in 1933 of 1934 geboren als Chan Chi-fu uit een Chinese vader en een Shan-moeder, was een man van wisselende allianties. Als jongeling vocht hij tegen de Chinees-nationalistische Kuomintang, die door de communisten uit China werd verdreven en waar zijn vader voor vocht. Chan en zijn strijders namen in de jaren zestig de opiumproductie van de Kuomintang over en stonden de militaire machthebbers bij in hun strijd tegen nationalistische Shan, in ruil voor een vrije hand in de opiumproductie. De term Gouden Driehoek voor het grensgebied van Birma, Thailand en Laos ontstond in deze periode.

In 1969 gooide de junta Chan in de gevangenis omdat hij met de Shan bleek samen te werken in de drugshandel. Toen hij vijf jaar later werd vrijgelaten sloot hij zich aan bij de onafhankelijkheidsstrijd van de Shan, en nam hij de nom de guerre Khun Sa aan.

Vanuit zijn basis Ho Mong in de jungle leidde hij in de decennia erna de hele keten van papaverteelt tot heroïnehandel. De miljoenen die dat opleverde gebruikte hij voor het Mong Tai Leger, zijn militie van uiteindelijk ruim 20.000 man. Kinderen van de arme Shan-bevolking werden vanaf achtjarige leeftijd in het trainingskamp van Ho Mong voorbereid op de strijd tegen de junta.

„Ik weet dat heroïne slecht is”, zei hij in 1995 in een interview. „Ik ben geen duivel. Kijk, ik heb geen hoorns.” En in een ander interview verklaarde hij: „Mijn mensen produceren opium, maar dat doen ze niet voor de lol. Ze doen dat omdat ze rijst en kleding moeten kopen.”

In 1995 keerde een deel van het Mong Tai Leger zich tegen Khun Sa, omdat zij vermoedden dat hij de strijd slechts gebruikte als een dekmantel voor drugshandel. Zo werd hij alsnog in de armen van de junta gedreven. Washington had inmiddels twee miljoen dollar voor zijn arrestatie uitgeloofd. In ruil voor zijn overgave aan het regime kreeg hij concessies voor een robijnmijn en een vervoersbedrijf. De laatste jaren leefde hij in luxe en als een door de junta gerespecteerd man in Rangoon.